Direct na de opening van een raadsvergadering vindt het mondelinge vragenuur plaats. In bijzondere gevallen kan de voorzitter in overleg met de vergadering bepalen dat het vragenuur op een ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt per vergadering het tijdstip van het einde van het vragenuur.
Het lid dat tijdens het vragenuur de vragen wil stellen, meldt dit, onder aanduiding van het onderwerp uiterlijk op de dag van de vergadering ’s ochtends voor 09.00 uur. De voorzitter kan weigeren een onderwerp tijdens het vragenuur aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering van die dag aan de orde komt.
De voorzitter nodigt (het betreffende lid van) het college of de burgemeester uit voor het vragenuur, waarbij hij mededeling doet van het onderwerp van de vragen. Vervolgens maakt de voorzitter het onderwerp van de vragen openbaar.
De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de onderwerp tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld.
De vragensteller wordt voor ten hoogste twee minuten het woord verleend om de vragen te stellen en een toelichting te geven. De wethouder of burgemeester wordt voor ten hoogste drie minuten het woord verleend om de vragen te beantwoorden.
Na de beantwoording wordt de vragensteller twee minuten het woord verleend om aanvullende vragen te stellen. De wethouder of burgemeester wordt voor ten hoogste drie minuten het woord verleend om de aanvullende vragen te beantwoorden.
Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden, ieder voor ten hoogste één minuut, het woord verlenen om vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. De wethouder of de burgemeester wordt voor ten hoogste drie minuten het woord verleend om de vragen te beantwoorden.
Tijdens het vragenuur worden geen moties ingediend en worden geen interrupties gehouden.
Hoofdstuk 4
Artikel 45
Het mondelinge vragenuur
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen van de gemeenteraad