De voorzitter vraagt of stemming wordt verlangd. Als geen stemming wordt gevraagd
en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen.
In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag vragen, dat zij
geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 28 van de Gemeentewet van stemming te hebben onthouden.
Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan
mededeling en wordt besloten of de stemming bij handopsteken of hoofdelijk plaatsvindt de leden 4 tot en met 7 van dit artikel zijn van toepassing bij hoofdelijke stemming.
De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te
brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 18 is aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.
Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van
deelneming aan de stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.
De leden brengen hun stem uit door het woord 'voor/foar' of 'tegen/tsjin' uit te
spreken, zonder enige toevoeging.
Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing
nog herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.
De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van
het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.
HOOFDSTUK 3. › PARAGRAAF 3.
Artikel 26.
Algemene bepalingen over stemming
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad