Ieder lid kan aan het college of aan de burgemeester met verwijzing naar dit artikel schriftelijk vragen stellen. Deze vragen moeten kort en duidelijk geformuleerd bij de voorzitter worden ingediend.
De voorzitter zendt de vragen onmiddellijk naar het college of de burgemeester en een afschrift naar de overige raadsleden.
Het college of de burgemeester antwoordt het betrokken lid binnen vier weken na ontvangst van de vragen. Een afschrift van het antwoord wordt naar de overige raadsleden verzonden.
Indien de vragen niet binnen de in lid 3 genoemde termijn kunnen worden beantwoord, deelt het college of de burgemeester dat binnen die termijn schriftelijk mee aan de vragensteller met mededeling van de datum waarop de vragen wel kunnen worden beantwoord.
Indien de vragen niet binnen zes weken zijn beantwoord worden ze aan het begin van het eerstvolgende mondelinge vragenuur gesteld. De vragensteller kan toestaan dat hiervan wordt afgeweken.
Het college of de burgemeester kan aan de voorzitter te kennen geven dat hij een vraag niet schriftelijk maar mondeling wil beantwoorden. De vraag wordt dan beantwoord tijdens het eerstvolgende mondelinge vragenuur.
De vragen worden met de schriftelijke antwoorden opgenomen in de Bijlagen van de raadsverslagen.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 41.
Schriftelijke vragen
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad