De MBA graven (in het Bal en in het omgevingsplan voor kleinschalig graven) strekt zich niet uit tot graven in de waterbodem. Deze activiteit beperkt zich tot de landbodem. Onder waterbodem verstaan we de bodem van een oppervlaktewaterlichaam. Een oppervlaktewaterlichaam is onder de Omgevingswet omschreven als een “samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna”. Het beheer van de waterkwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam ligt bij het Rijk of het waterschap.
Op het grensvlak van waterbodem en landbodem kan sprake zijn van droge oevergebieden. Dit zijn buitendijkse gebieden die niet of nauwelijks invloed ondergaan van het water. In het Bal (artikel 22.127) wordt aangegeven dat voor deze droge oevergebieden de regels voor de MBA graven in de bodem wel gelden. Onder de Omgevingswet ligt de verantwoordelijkheid voor deze gebieden niet meer op bij het Rijk.
Voor het ontgraven van een grensoverschrijdende verontreiniging land/waterbodem onder de Omgevingswet zijn twee aanpakken mogelijk: Voor de landbodem en droge oevergebieden gelden de MBA Graven en MBA Saneren. Voor de aanpak van de waterbodem geldt overgangsrecht Waterwet. Waterschappen kunnen regels opnemen in de waterschapsverordening.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.7
Graven in droge oevergebieden
Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Uithoorn