Bij een bezwaarschrift in het kader van de Jeugdwet stelt de voorzitter de minderjarige jeugdige van twaalf jaar en ouder in de gelegenheid zijn mening mondeling of schriftelijk kenbaar te maken. De voorzitter kan ook besluiten een minderjarige jeugdige jonger dan twaalf jaar te doen horen. In beide gevallen wordt afgewogen of de betreffende minderjarige jeugdige in staat is om de eigen mening naar voren te brengen.
De secretaris regelt dat de minderjarige jeugdige op diens niveau in begrijpelijke taal wordt voorgelicht over de bezwaarprocedure en over de daarbij behorende mogelijkheden en rechten voor de minderjarige jeugdige.
De minderjarige jeugdige wordt in beginsel voorafgaand aan de hoorzitting afzonderlijk gehoord. Van dit horen wordt geen verslag of beeld- en geluidsopname gemaakt. De commissie kan zich laten bijstaan door een deskundige.
Tijdens de hoorzitting geeft de voorzitter kort en zakelijk weer wat de minderjarige jeugdige mondeling dan wel schriftelijk heeft verklaard.
In afwijking van de leden 3 en 4 kan de voorzitter beslissen om een minderjarige jeugdige uit te nodigen voor een hoorzitting van de commissie. De voorzitter zendt hiertoe een op het niveau van de minderjarige jeugdige aangepaste uitnodiging.
Paragraaf 3.
Artikel 6.