1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen:
a. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:38 aangewezen gebouw, straat of gebied of
b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:38 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd door de exploitant.
3. Bij het aanwijzen van gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:38 stelt de burgemeester vast welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag moeten worden ingediend.
4. De burgemeester stelt een aanvraagformulier voor de indiening van een vergunningaanvraag vast.
5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:
a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e. als niet voldaan is aan de bij of krachtens in artikel 2:41 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag.
6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het (tijdelijke) Omgevingsplan.
7. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.