Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III

Artikel 28

Spreekrecht

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies

De voorzitter van de commissie stelt toehoorders bij een vergadering op hun verzoek in de gelegenheid het woord te voeren tijdens de vergadering over de op de agenda staande punten. Het spreekrecht geldt niet voor: keuzen, voordrachten, aanbevelingen of ontslagen van personen; onderwerpen welke niet in het openbaar worden behandeld; vaststelling agenda, verslag, lijst ingekomen stukken, afsprakenlijst, mededelingen en rondvraag. Een verzoek om in te spreken dient voor het begin van de vergadering bij de voorzitter te worden ingediend, onder vermelding van het punt of de punten waarover men het woord wil voeren. Bij de behandeling van het betreffende agendapunt stelt de voorzitter degene die een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend, in de gelegenheid het woord te voeren over het betreffende agendapunt voordat de leden van de commissie daarvoor de eerste keer het woord hebben gevoerd. Voor de toehoorder die in de gelegenheid wordt gesteld het woord te voeren, geldt een spreektijd van ten hoogste vijf minuten per agendapunt. Indien er per agendapunt meer dan drie toehoorders die van de gelegenheid gebruik maken het woord te voeren, stelt de voorzitter de maximale spreektijd per spreker vast. Tussen de leden van de commissie en toehoorders die van de gelegenheid gebruik maken het woord te voeren, vindt geen discussie plaats. De commissieleden kunnen via de voorzitter verduidelijking van het standpunt van bedoelde toehoorders vragen. Op voorstel van de voorzitter of tenminste twee van het aantal aanwezige leden kan de commissie afwijking van het bepaalde in dit artikel toestaan.

Rechtspraak bij dit artikel