Deze verordening treedt in werking een dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2024.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2024.
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2024
Algemeen
Deze verordening vervangt de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020. De verordening is om de volgende redenen gewijzigd:
Actualiseren
De verordening is geactualiseerd naar aanleiding van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad voor Beroep heeft in twee uitspraken geoordeeld dat bij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb het minimumloon niet mag worden gehanteerd als tarief voor informele hulp (hulp door het sociale netwerk). De gemeente Baarn hanteert niet het minimumloon, maar een tarief dat 50% is van het tarief waarvoor aanbieders zijn gecontracteerd. Toch is een ondergrens opgenomen voor het tarief voor informele hulp.
De tarieven zelf staan overigens in het financieel besluit. Er is in het algemeen voor gekozen om geen bedragen meer te noemen in de verordening. Hiermee wordt voorkomen dat de verordening jaarlijks aangepast moet worden bij indexering of iets vergelijkbaars.
Ook de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 heeft een rol gespeeld bij het actualiseren van de verordening. Een van de speerpunten van deze agenda is het beperken van de reikwijdte van jeugdhulp zodat jeugdhulp (beschikbaar is voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. In de regio is daaraan uitvoering gegeven door een aantal uitgangspunten uit te werken over de reikwijdte van jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn verwerkt in de verordening. Zo is opgenomen dat algemene voorzieningen voor gaan op maatwerkvoorzieningen, collectieve voorzieningen voor gaan op individuele maatwerkvoorzieningen, uit wordt gegaan van gecontracteerde aanbieders bij het inzetten van maatwerkvoorzieningen en maatvoorzieningen in beginsel niet met terugwerkende kracht worden toegekend.
Integrale verordening
Met de nieuwe verordening is ook ingezet op een nog meer integrale verordening. Dat betekent bijvoorbeeld dat een groot aantal artikelen is samengevoegd en daarmee dubbele artikelen uit de verordening zijn gehaald. Een andere voorbeeld is dat in de verordening een 'maatwerkvoorziening' zowel een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo als een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet is.
Aansluiten bij de uitvoeringspraktijk
Een aantal artikelen is geheel of deels nieuw door de wens om beter aan te sluiten bij hoe de uitvoeringspraktijk zich heeft gevormd. Een voorbeeld is het opnemen van weigeringsgronden in de verordening. Dit is gedaan om de medewerkers van het Loket Wonen, Zorg en Welzijn en het Lokaal Team handvatten te geven als een maatwerkvoorziening afgewezen moet worden. In dat verband is ook het aantal artikelen over het pgb uitgebreid.
Toegankelijker voor inwoners
Hoewel de verordening in de kern een formeel en juridisch document is dat de gemeente op grond van de Wmo en Jeugdwet moet vaststellen, is geprobeerd om de verordening toegankelijker te maken voor inwoners. Zo wordt eenvoudiger taalgebruik gebruikt (ingewikkelde termen en verwijzingen naar wetsartikelen zijn zoveel mogelijk verwijderd) en is de verordening overzichtelijker gemaakt (door een inhoudsopgave op te nemen en de verordening onder te verdelen in hoofdstukken). Verder wordt er in de verordening meer uitleg gegeven en worden er waar mogelijk voorbeelden gegeven in de toelichting op de artikelen.
In deze verordening stelt de gemeenteraad regels vast voor de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet door de gemeente. De verordening is daarmee een belangrijk document voor de uitwerking van het beleid van de gemeente over maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Bij de verordening is er rekening mee gehouden dat er maatwerk geboden moet worden.
Dit betekent dat het niet mogelijk en niet wenselijk is om in de verordening tot in detail vast te leggen hoe de gemeente in concrete situaties zal handelen; waar een inwoner in zijn of haar situatie het meest baat bij heeft, laat zich vooraf namelijk niet vastleggen. Dit betekent ook dat de regels die de gemeenteraad met deze verordening vaststelt dus hoofdlijnen zijn. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin iets verder wordt uitgewerkt. Daarom geeft de gemeenteraad in deze verordening de bevoegdheid aan de gemeente om nadere regels vast te stellen, ook wel uitvoeringsregels genoemd.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Algemene artikelen
Artikel 1 Algemeen artikel
Hoewel de Wmo en de Jeugdwet geen samenhangende eenheid vormen, heeft de gemeente de opdracht om tot een integrale benadering te komen voor de inwoners van Baarn. Waar regels lijken te botsen, zijn de uitgangspunten uit dit artikel leidend bij het nemen van een besluit.
Door deze uitgangspunten in de verordening op te nemen, legt de gemeente het voornemen vast om bij al haar handelen op basis van deze verordening zoveel mogelijk binnen de geest van deze uitgangspunten te werken. De gemeente vindt het namelijk belangrijk dat iedere inwoner actief kan deelnemen aan de samenleving, in staat is een bevredigend, volwaardig en behoorlijk leven te leiden en toegang heeft tot de (gezondheids)zorg, onderwijs, training en sport die hij of zij nodig heeft. Voor inwoners met een beperking en/of een chronische ziekte is de toegankelijkheid van het hulpaanbod van groot belang.
Een van de leidende uitgangspunten is de eigen kracht van de inwoner. Bij iedere hulpvraag onderzoekt de gemeente of er vanuit eigen kracht een passende oplossing is om de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner te verbeteren. Van een inwoner wordt verwacht dat hij of zij op vooruitloopt op (komende) veranderingen in zijn of haar persoonlijke situatie, waarbij de inwoner:
- eerst naar de eigen mogelijkheden kijkt
- een beroep doet op het eigen netwerk
- eigen financiële middelen inzet;
- eerst beroep doet op wetten zoals de Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet en Participatiewet.
Als het inwoners niet lukt om zelf of met hulp van de eigen omgeving knelpunten op te lossen, helpt de gemeente - samen met partners - de juiste weg te wijzen of ondersteuning te bieden. De gemeente stuurt er vervolgens op dat deze ondersteuning zo veel als mogelijk is gericht op het versterken van de eigen kracht van de inwoner (en het gezin en het sociale netwerk van de inwoner). Waar mogelijk houden inwoners daarbij de regie, zij kunnen immers zelf het beste aangeven wat ze willen en nodig hebben.
Met deze leidende uitgangspunten legt de gemeente tot slot ook een verbinding tussen inhoud en financiën. De gemeente staat voor de opgave om passende hulp en ondersteuning beschikbaar en betaalbaar te houden, juist voor die inwoners die het echt nodig hebben.
Artikel 2 Toepassing en definities
In dit artikel zijn definities opgenomen die niet al in de Jeugdwet of Wmo voorkomen of die de leesbaarheid van de verordening ten goede komen.
onder a aanbieder
Dit begrip is opgenomen om aan te geven dat in deze verordening met 'aanbieder' zowel de 'aanbieder' uit de Wmo als de 'jeugdhulpaanbieder' uit de Jeugdwet wordt bedoeld.
onder b aanvraag
Dit begrip is opgenomen om aan te geven dat een 'aanvraag' zowel een verzoek om een maatwerkvoorziening in de Wmo als verzoek om een individuele voorziening in de Jeugdwet kan zijn. Het begrip aanvraag wordt vooral gehanteerd binnen de Jeugdwet, waar binnen de Wmo over melding wordt gesproken. In artikel 6 van deze verordening wordt dit verder toegelicht.
onder c algemeen gebruikelijke voorziening
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en maatwerk (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. Van een algemene (vrij-toegankelijke) voorziening kan de inwoner gebruikmaken zonder dat hij of zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig heeft. De voorwaarden voor een algemeen gebruikelijke voorziening die hier staan komen uit de jurisprudentie van de Centrale Raad voor Beroep.
onder d andere voorziening
De gemeente mag een maatwerkvoorziening weigeren als aanspraak bestaat op een andere voorziening. Volgens de Wmo, omdat een inwoner de hulpvraag op eigen kracht kan oplossen door gebruik te maken van de andere voorziening. Volgens de Jeugdwet, omdat een andere voorziening voorliggend is. Voorbeelden van andere voorzieningen zijn naast de al genoemde ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Participatiewet ook het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV) of de Wet Passend Onderwijs.
onder e beperking
Deze definitie wordt gegeven omdat de Wmo of Jeugdwet niet uit leggen want een 'beperking' is en deze definitie in de verordening regelmatig terugkomt.
onder f budgetplan
Dit plan gaat over de inzet van het pgb. De gemeente heeft hiervoor een format beschikbaar. In artikel 12 komt het budgetplan uitgebreid terug.
onder g collectieve maatwerkvoorziening
Omdat in deze verordening regelmatig terug komt dat collectieve maatwerkvoorzieningen voor gaan op individuele maatwerkvoorzieningen is deze definitie opgenomen. Een voorbeeld van een collectieve maatwerkvoorziening is de Regiotaxi.
onder h dagactiviteit Een ander woord voor dagactiviteit is dagbesteding, bijvoorbeeld bij een zorgboerderij.
onder i diensten Deze definitie is opgenomen om het onderscheid te maken tussen maatwerkvoorziening die als diensten zijn aan te merken en andere maatwerkvoorzieningen. Voorbeelden van diensten zijn begeleiding, dagactiviteit, kortdurend verblijf, hulp bij het huishouden en behandeling.
onder j financieel besluit
In dit besluit - dat jaarlijks wordt vastgesteld door de gemeente - staan bijvoorbeeld de pgb-tarieven, de bedragen voor de financiële tegemoetkomingen, zoals voor sportvoorzieningen, en de hoogte van de mantelzorgwaardering.
onder k gemeente
Er is voor het begrip 'gemeente' gekozen in plaats van 'het college van burgemeester en wethouders. Het begrip 'gemeente' spreekt meer aan en is minder formeel. Als het gaat om de uitvoering van taken van de Wmo en de Jeugdwet zijn de medewerkers van het Loket Wonen, Zorg en Welzijn en het Lokaal Team gemandateerd.
onder l hoofdverblijf Op basis van vaste jurisprudentie moet de woonplaats worden vastgesteld aan de hand van alle concrete feiten en omstandigheden. De informatie uit de Basisregistratie Personen is een belangrijke aanwijzing, maar niet doorslaggevend.
onder m hulp en ondersteuning Er is voor dit begrip gekozen met het oog op een nog meer integrale verordening. Een enkele keer wordt in deze verordening onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke ondersteuning uit artikel 1.1.1 van de Wmo en jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
onder n hulpverlener De hulpverlener en de aanbieder zullen soms een en dezelfde persoon zijn, bijvoorbeeld bij een zzp'er. Als de aanbieder echter een instelling is, zal de hulpverlener in dienst zijn bij de instelling. Een persoon uit het sociale netwerk kan ook een hulpverlener zijn.
onder o hulpvraag
Het begrip 'hulpvraag' is om opgenomen om de verordening nog meer integraal te maken. De hulpvraag kan gaan om behoefte van een inwoner aan maatschappelijke ondersteuning uit artikel 1.1.1 van de Wmo en jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
onder p inwoner
Dit begrip is opgenomen voor de reikwijdte van de verordening.
onder q maatwerkvoorziening
In de Wmo wordt het begrip maatwerkvoorziening gedefinieerd (artikel 1.1.1). In de Jeugdwet gaat het over een voorziening op het gebied van jeugdhulp (artikel 2.3) of een individuele voorziening. Er is gekozen voor het begrip 'maatwerkvoorziening' gelet op een nog meer integrale verordening en omdat een maatwerkvoorziening ook een collectieve voorziening kan zijn. Als een maatwerkvoorziening nodig is gezien de aard en ernst van de hulpvraag, geeft de gemeente hiervoor een besluit.
onder r melding
Dit begrip is opgenomen omdat de Wmo er geen definite van geeft en de Jeugdwet het begrip niet kent. Artikel 6 van deze verordening gaat in op het verschil tussen een 'melding' en 'een aanvraag' bij de Wmo en het ontbreken van dit verschil in de Jeugdwet.
onder s nadere regels
Omdat veel onderwerpen in deze verordening alleen op hoofdlijnen worden behandeld, kan daar in de nader regels dieper op in worden gegaan.
onder t normaal gebruik van de woning
Wat normaal gebruik van de woning volgt uit jurisprudentie (en kan veranderen).
onder u sociaal netwerk
Dit begrip is opgenomen omdat alleen de Wmo dit begrip kent en de Jeugdwet niet.
onder v spoedeisend geval Het gaat hier om een onvoorziene situatie waarin meteen een voorziening getroffen moet worden.
onder w vervoersvoorziening
Voorbeelden zijn individueel taxivervoer of collectief vervoer zoals de Regiotaxi.
onder x voorziening in natura
De contracten die de gemeenste heeft gesloten voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp worden veelal in regionaal verband gesloten.
onder y woning
Omdat de Wmo veel woonvoorzieningen kent, is het van belang dit begrip op te nemen.
onder z woonvoorziening
Woonvoorzieningen kunnen ervoor zorgen dat een inwoner langer thuis kan blijven wonen en zijn erop gericht dat er normaal gebruik van de woning kan worden gemaakt. Bij een woningaanpassing kan het gaan om het verwijderen van drempels of het verbreden van deuren. Een woonhulpmiddel is bijvoorbeeld een douchestoel of een tillift.
Hoofdstuk 2 Vormen van voorzieningen
Artikel 3 Algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke en laagdrempelige diensten, activiteiten of zaken. Een inwoner kan daar zonder uitgebreid onderzoek gebruik van maken. Voorbeelden van algemene voorzieningen in de gemeente Baarn zijn Pit Baarn voor advies en informatie, Wijkwerkers voor het signaleren, de Seniorenbus voor collectief vervoer en sportactiviteiten gericht op de (sociale) participatie van jeugdigen die door de sportcoördinator worden georganiseerd. Bij de 'begeleiding gericht op zelfredzaamheid en participatie' gaat het om begeleiding door medewerkers van het Lokaal Team.
Artikel 4 Maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening is niet vrij-toegankelijk. Er is een verwijzing van bijvoorbeeld de huisarts of een besluit van de gemeente nodig. De toegang en procedure via de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 3 van deze verordening. De maatwerkvoorzieningen worden regionaal ingekocht bij verschillende aanbieders. Welke maatwerkvoorziening nodig is, verschilt per inwoner. Daarom doet de gemeente eerst zorgvuldig onderzoek naar de hulpvraag.
Hoofdstuk 3 Toegang en procedure
Artikel 5 Toegang
In dit artikel staat hoe de toegang tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp in Baarn is geregeld. Voor jeugdhulp geldt dat niet alleen de gemeente toegang kan bieden. Ook huisartsen, jeugdartsen, medisch specialisten en gecertificeerde instellingen kunnen verwijzen naar jeugdhulp. Na zo'n verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke behandeling) een jeugdige en/of zijn of haar ouder(s) precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling moet de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in bij de inkoop van de hulp en ondersteuning. De jeugdhulpaanbieder zal ook rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Andere ingangen tot de jeugdhulp zijn de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting en Veilig Thuis. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
Artikel 6 Melding en/of aanvraag
De melding van een hulpvraag kan door een inwoner gedaan worden, maar ook door de vertegenwoordiger van deze inwoner. Dit is bijvoorbeeld een wettelijk vertegenwoordiger, mantelzorger, familielid of iemand anders uit het sociale netwerk van de inwoner. Er is vaak wel toestemming nodig van de inwoner. De melding kan schriftelijk of digitaal worden gedaan.
Voor hulpvragen die vallen onder de Wmo geldt dat de procedure van de Wmo gevolgd wordt. Dat wil zeggen dat een melding altijd voorafgaat aan een aanvraag. De Jeugdwet volgt de procedure in de lgemene wet bestuursrecht (artikel 1:3, derde lid). Dit betekent dat een melding meteen wordt aangemerkt als een aanvraag (met een beslistermijn van acht weken vanaf het moment van aanvraag).
Nadat een melding is gedaan, bevestigt de gemeente zo snel mogelijk schriftelijk of digitaal dat de melding ontvangen is. De registratie en bevestiging van de melding zijn belangrijk, omdat hiermee de onderzoekstermijn gaat lopen (dit onderzoek mag zes weken duren voor hulpvraag over de Wmo).
In de ontvangstbevestiging geeft de gemeente ook aan wat de rechten en plichten zijn van de inwoner. Daarnaast wordt gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning of een vertrouwenspersoon en de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. In zo’n plan kan de inwoner alvast aan aantal zaken beschrijven, zoals de hulpvraag, persoonlijke situatie, waarvoor ondersteuning nodig is en wat de inwoner zelf kan oplossen.
Soms is er sprake van een spoedeisend geval waarin snel een voorziening nodig is. Dan kan de gemeente een voorziening inzetten, voordat het onderzoek naar de situatie is afgerond. Er wordt dan een passende, tijdelijke voorziening ingezet in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Artikel 7 Onderzoek
Na de melding start het onderzoek. Om een goed beeld te krijgen van de inwoner, zijn of haar situatie en de hulpvraag, is een persoonlijk gesprek in de meeste gevallen wenselijk. De gemeente zorgt ervoor dat hiervoor een afspraak wordt ingepland, zo snel mogelijk nadat de hulpvraag gemeld is. Bij dit gesprek kan ook een vertegenwoordiger, mantelzorger, familielid, iemand anders uit het sociale netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig zijn als de inwoner dat wenst. Soms zijn er meerdere gesprekken nodig om de situatie goed in kaart te brengen.
Vaak is er al veel informatie aanwezig die van belang is voor het onderzoek. Daarom kan de gemeente om deze informatie vragen. Het kan bijvoorbeeld gaan om informatie over de hupverleningsgeschiedenis en eerdere (diagnostische/ persoonlijkheids-) onderzoeken. Dit kan een beeld geven van de ontwikkeling van de situatie in het verleden, welke hulp er al is geweest en wat wel en niet goed heeft gewerkt. Zo kan worden voorkomen dat opnieuw hulp wordt ingezet, die in het verleden niet bleek te werken.
De inwoner kan altijd zelf een persoonlijk plan of familiegroepsplan opstellen. Als deze aanwezig is, wordt dit plan dan ook altijd betrokken bij het onderzoek.
In sommige gevallen is een persoonlijk gesprek niet nodig. Dan kan, in samenspraak met de inwoner, worden afgezien van een gesprek.
De gemeente vraagt aan het begin van het gesprek om identificatie van de inwoner. Als een inwoner al vaker een gesprek heeft gehad kan er voor worden gekozen om af te zien van identificatie.
Om een goed beeld te krijgen van de inwoner, zijn of haar persoonlijke situatie en de hulpvraag, is een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek nodig. Bij dit onderzoek past de gemeente een afwegingskader toe. Dit afwegingskader volgt uit de jurisprudentie van de Centrale Raad voor Beroep. Daarin heeft de Centrale Raad voor Beroep namelijk een stappenplan gegeven voor de beoordeling van een hulpvraag. In het kort komt dit stappenplan erop neer dat wordt bekeken:
- wat de hulpvraag is;
- of de gemeente verantwoordelijk is;
- of de Wmo of de Jeugdwet van toepassing is;
- welke concrete problemen ondervonden worden;
- in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke en andere voorzieningen of maatschappelijke activiteiten een oplossing bieden. De ondersteuning moet de inwoner in staat stellen:
- gezond en veilig op te groeien;
- te groeien naar zelfstandigheid;
- voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk mee te doen.
Als er sprake is van mantelzorg, zal worden bekeken of er maatregelen nodig zijn ter ondersteuning van de mantelzorger. Zo kan de ondersteuning worden ingezet als respijtzorg. Respijtzorg is de tijdelijke overname van ondersteuning met als doel de mantelzorger een adempauze te geven.
Als een maatwerkvoorziening passend lijkt, maar mogelijk geen passende voorziening in natura voorhanden is, dan wordt de mogelijkheid tot een pgb besproken. Ook wordt dan uitgelegd welke rechten, plichten en verantwoordelijkheden er bij een pgb komen kijken.
Verder wordt aan de inwoner uitleg gegeven over de eigen bijdrage die gevraagd kan worden bij een maatwerkvoorziening voor de Wmo.
Ook is het belangrijk om te noemen dat de gemeente waar mogelijk rekening houdt met de diversiteit in de samenleving en rekening houdt met het geloof, de cultuur en de gewoonten van de inwoner.
Tot slot wordt ook bekeken of er voorzieningen op andere leefgebieden zijn waarop moet worden afgestemd in het onderzoek. Voorbeelden zijn scholing die de inwoner volgt of kan volgen of werk dat de inwoner verricht.
In sommige gevallen is er extra expertise nodig om een goede inschatting te kunnen maken van de hulpvraag en de mogelijk benodigde hulp. De gemeente kan er dan voor kiezen om een deskundig advies van derden in te winnen. Dit advies moet altijd onafhankelijk zijn. Daarom wordt een dergelijk advies niet ingewonnen bij de aanbieder die mogelijk ook de hulp zal gaan bieden.
Hoofdstuk 4 Besluitvorming
Artikel 8 Beoordeling
Een maatwerkvoorziening is echt een hekkensluiter. De uitgangspunten van de Wmo en de Jeugdwet zijn namelijk de eigen kracht en verantwoordelijkheid van inwoners en hun sociaal netwerk en in het geval van jeugdigen ook de verantwoordelijkheid van hun ouders. De gemeente kan bijvoorbeeld tot de conclusie komen dat andere hulp passend is, zoals een algemeen gebruikelijke of andere voorziening. Voorbeelden hiervan zijn mediation in echtscheidingssituaties of een intelligentieonderzoek voor onderwijs. Als dit allemaal geen oplossing biedt, wordt een maatwerkvoorziening ingezet. Dan geldt ook nog dat als er een collectieve, groepsgewijze maatwerkvoorziening beschikbaar is, deze voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening.
Na afronding van het onderzoek ontvangt de inwoner een verslag met de uitkomsten van het onderzoek. Dit verslag wordt in de praktijk het plan van aanpak genoemd. In het plan van aanpak wordt het onderzoek beschreven en welke vorm van hulp en ondersteuning de gemeente op basis van het onderzoek passend vindt. Als de inwoner opmerkingen of aanvullingen heeft, worden deze aan het plan van aanpak toegevoegd. De inwoner kan op het plan van aanpak aangeven of hij wel of niet akkoord gaat met de hulp die door de gemeente wordt voorgesteld. Bij een melding over de Wmo is het plan van aanpak de aanvraag als de inwoner akkoord is. De inwoner zal als hij of zij akkoord gaat met het voorstel in de regel een positief besluit krijgen. Dat wil zeggen dat, als het voorstel is om een maatwerkvoorziening in te zetten, deze zal worden toegekend met het besluit. Als de inwoner niet akkoord gaat met het plan van aanpak, volgt in de regel een negatief besluit waarin de aanvraag van de inwoner wordt afgewezen.
De gemeente kan in het plan van aanpak aanvullend advies geven over welke andere voorzieningen, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing kunnen bieden voor de hulpvraag. Soms kan dit ook in de plaats van een maatwerkvoorziening vanuit de Jeugdwet of de Wmo zijn.
Als een maatwerkvoorziening wordt toegekend, kiest de gemeente voor de goedkoopst passende voorziening. In sommige gevallen zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk. Ook dan mag de gemeente voor de goedkoopste voorziening, zolang deze voorziening passend is bij de hulpvraag. Een voorbeeld hiervan is de driewielfiets met trapaandrijving. Als een driewielfiets zonder trapaandrijving passend is om de hulpvraag op te lossen, zal de gemeente hiervoor kiezen. Ook als de inwoner de voorkeur geeft aan een elektrische driewielfiets.
Artikel 9 Voorwaarden specifieke maatwerkvoorzieningen
In dit artikel staat een aantal voorwaarden genoemd voor specifieke maatwerkvoorzieningen, zoals woonvoorzieningen, beschermd wonen en maatschappelijke opvang.
De inzet van hulp bij het huishouden heeft als doel een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid van de inwoner zodat hij of zij zolang mogelijk thuis kan blijven wonen. Van belang is dat de inwoner door de hulp de 'normale' dingen in de woning kan blijven doen. Wat deze 'normale dingen' zijn, is uitgewerkt in de jurisprudentie. Het gaat bijvoorbeeld om slapen, koken, eten, wassen en douchen, zich in de woning kan verplaatsen en de woning binnen kunnen gaan.
Kortdurend verblijf wordt ook wel respijtzorg of logeren genoemd. Als blijkt dat de mantelzorger ontlast moet of wil worden, dan kan kortdurend verblijf worden ingezet als de inwoner (door het tijdelijk wegvallen van de mantelzorg) is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs ondersteuning in de buurt. Als dat niet het geval is, dan is een oplossing misschien een dagactiviteit in combinatie met begeleiding. Voor zover de mantelzorger medische zorg verleend als bedoeld in de Zvw, ligt het voor de hand dat er aanspraak bestaat op grond van die wet.
Bij het bezoekbaar maken van een woning gaat het bijvoorbeeld om een ouder die in een instelling woont en regelmatig op bezoek komt bij zijn of haar kinderen in de gemeente Baarn. Er kan dan een woonvoorziening worden toegekend die ervoor zorgt dat de woning bezocht kan worden.
Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang ligt de uitvoering bij de gemeente Amersfoort als centrumgemeente. Beschermd wonen bestaat uit wonen in een veilige en stabiele (beschermende) woonomgeving met daarbij verschillende niveaus van hulp en ondersteuning. Maatschappelijk opvang biedt tijdelijk onderdak voor inwoners die dakloos zijn of dreigen te raken door bijvoorbeeld huiselijk geweld.
Artikel 10 Weigeringsgronden
In dit artikel worden de redenen gegeven om een maatwerkvoorziening af te wijzen.
onder a eigen kracht en/of andere voorziening
Omdat een maatwerkvoorziening alleen wordt verstrekt als het niet anders kan, wordt eerst onderzocht of er vanuit eigen kracht een passende oplossing is om de hulpvraag van de inwoner op te lossen. Wellicht kan de inwoner namelijk een passende oplossing vinden in een aanvullende zorgverzekering die hij of zij heeft afgesloten of door inzet van eigen financiële middelen, of door gebruik te maken van een andere voorziening zoals het aanspreken van bijzonder en buitengewoon verlof (in het kader van arbeidsrecht).
onder b anti revaliderend effect
Een maatwerkvoorziening heeft uiteindelijk als doel om de zelfredzaamheid van de inwoner zoveel mogelijk te stimuleren, herstellen of ondersteunen. In sommige gevallen kan een maatwerkvoorziening echter “een afhankelijkheidssituatie” creëren die anti-revaliderend werkt. Dit kan het herstel belemmeren of zorgen voor een verdere achteruitgang. Bijvoorbeeld: het verstrekken van een scootmobiel kan een anti-revaliderende werking hebben als voor een inwoner uit medisch oogpunt lichaamsbeweging van belang is.
onder c kostenvoorafgaand aan de melding of aanvraag
Soms meldt een inwoner zich bij de gemeente terwijl de hulp al is gestart of afgerond. De inwoner vraagt dan om vergoeding van deze hulp op basis van deze verordening. Het uitgangspunt is dat de gemeente deze hulp niet met terugwerkende kracht vergoed. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om de hulpvraag tijdig te melden bij de gemeente. De uitzondering hierop worden in dit artikellid beschreven. Het ligt bijvoorbeeld iets anders als een inwoner zich meldt bij wie nog sprake is van een actuele hulpvraag. De gemeente zal dan moeten onderzoeken of deze hulp inderdaad noodzakelijk en ook passend is. In elk geval zal de gemeente zal de hulp pas vergoeden vanaf het moment dat de inwoner zich bij de gemeente heeft gemeld.
onder d afschrijvingstermijn nog niet verstreken
De gemeente verstrekt een maatwerkvoorziening, dus ook een hulpmiddel, als deze noodzakelijk is voor de inwoner om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Daarom wordt hier benoemd dat bijvoorbeeld hulpmiddelen niet vervangen worden, als het huidige hulpmiddel nog volstaat. Vervanging wordt gedaan als het huidige hulpmiddel technisch is afgeschreven. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of tenzij de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.
onder e voorzienbaar- en vermijdbaarheid
De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren wanneer als deze voorzienbaar of vermijdbaar was. Dit is bijvoorbeeld het geval als een inwoner gaat verhuizen naar een andere woning en daarbij geen rekening heeft gehouden met zijn of haar beperkingen. Een inwoner die bijvoorbeeld niet kan traplopen, verhuist naar een woning waar hij of zij de trap op moet om de slaap- en badkamer te bereiken. Deze inwoner is dan simpelweg naar een ongeschikte woning verhuisd en dat was te voorzien en vermijdbaar.
onder f risico's
Als een maatwerkvoorziening onveilig is, of risico’s met zich meebrengt voor bijvoorbeeld de inwoner zal deze niet worden ingezet. Onder risico’s wordt ook de (dreigende) overbelasting verstaan.
onder h eerdere maatwerkvoorziening is nog passend
Een maatwerkvoorziening wordt pas verstrekt als deze noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid van de inwoner. Als er al de nodige hulp en ondersteuning aanwezig is die passend is bij de hulpvraag, dan zal er daarnaast of in plaats daarvan geen nieuwe maatwerkvoorziening worden toegekend.
onder i niet langdurig noodzakelijk
Dit criterium kent een begrenzing in tijd en noodzakelijkheid (gaat het probleem over of is het blijvend) en is afhankelijk van de concrete situatie van de inwoner. Voor het criterium ‘langdurig noodzakelijk’ is ook gekozen vanwege het nadrukkelijkere beroep op de inwoner om problemen zelf of met het netwerk op te lossen, zeker als die problemen kortdurend zijn.
onder j niet bewezen goed onderbouwd
De gemeente is ervoor verantwoordelijk om hulp of ondersteuning in te zetten, die past bij de hulpvraag en onder meer van goede kwaliteit is. In sommige gevallen wil een inwoner een specifieke voorziening waarvan niet tenminste goed onderbouwd is dat de voorziening werkt, terwijl er een alternatief beschikbaar is waarbij dat wel het geval is. Een voorbeeld hiervan is de inzet van een hulphond met als doel het stimuleren van maatschappelijke deelname. Of het zwemmen met dolfijnen of paardentherapie voor datzelfde doel De werking van deze therapieën is niet goed onderbouwd (laat staan effectief bewezen). Het uitgangspunt moet dan ook niet de voorziening zijn, maar de hulpvraag. Om de vraag te beantwoorden of de werking van een voorziening goed onderbouwd is ,kan aansluiting worden gezocht bij de Databank Effectieve Sociale Interventies van Movisie en de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut.
Artikel 11 Inhoud besluit
Het besluit op de aanvraag wordt vastgelegd in een brief aan de inwoner. Dit wordt ook wel de beschikking genoemd. De inwoner moet op basis van het besluit dat hij of zij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn of haar zogenaamde rechtspositie te bepalen en begrijpen. Hiervoor is nodig dat het besluit de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel is opgenomen wat er in ieder geval in het besluit moet worden opgenomen. Als er een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt toegekend, staan in het besluit nog een aantal extra zaken beschreven die alleen maar gelden bij pgb’s. Een eventuele eigen bijdrage is alleen van toepassing voor maatwerkvoorzieningen op basis van de Wmo.
Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget
Artikel 12 Algemene voorwaarden pgb
Uitgangspunt van de Wmo en de Jeugdwet is dat de maatwerkvoorziening in natura is en dus door gecontracteerde aanbieders wordt verstrekt. Een inwoner kan echter gemotiveerd vragen om een pgb als er geen passend aanbod is in natura. Daarvóór is uit het onderzoek dan al gebleken dat hij of zij een maatwerkvoorziening nodig heeft. Vervolgens wordt beoordeeld of de inwoner voldoet aan de voorwaarden voor een pgb. De inwoner levert allereerst een budgetplan met (financiële) onderbouwing bij de gemeente in. De gemeente heeft daarvoor een format.
De gemeente bekijkt onder meer of de inwoner pgb-vaardig is. Daarvoor gebruikt de gemeente de checklist '10 punten pgb-vaardigheid' van het ministerie van VWS. De inwoner moet laten zien dat hij of zij zelf, of met hulp van zijn netwerk, in staat is een pgb te beheren. Zo moet de inwoner als werkof opdrachtgever de hulpverlener aansturen, declaraties invullen en controleren en nagaan of de hulp en ondersteuning passend en kwalitatief goed is. Het sociale netwerk van de inwoner kan hierbij helpen, bijvoorbeeld de ouders of voogd van een minderjarige of een buurman. Ook de vertegenwoordiger van de inwoner (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die wellicht niet tot het sociale netwerk van de inwoner behoort, kan de inwoner ondersteunen. Als de inwoner het pgb niet zelf beheert, moet deze pgb-beheerder wel aan dezelfde voorwaarden voldoen.
Voordat een pgb wordt verstrekt, beoordeelt de gemeente of de kwaliteit van de maatwerkvoorziening die de inwoner wenst in te kopen met het pgb in orde is. Het budgetplan gaat daarom ook uitgebreid in op de kwaliteit van de maatwerkvoorziening die met een pgb wordt ingekocht.
Er wordt in dit artikel ook aangegeven waarvoor het pgb niet kan worden ingezet. De gemeente vindt het belangrijk dat het pgb alleen wordt aangewend voor directe uren aan hulp en ondersteuning. Daarom is er ook geen verantwoordingvrij bedrag, waarbij de inwoner een deel van het pgb vrij kan besteden.
Tot slot kan er geen maandloon worden afgesproken voor formele hulp. De gemeente wil dat formele hulp wordt betaald op basis van gewerkte uren. Als er een vast maandloon wordt betaald, dan is er altijd kans dat er teveel uren worden betaald. Bijvoorbeeld als de hulpverlener een paar keer niet kon komen door ziekte, file, gladde wegen of een andere reden. Door een uurloon af te spreken, moet de hulpverlener alleen zijn of haar gewerkte uren opgeven. Zo wordt er uit het pgb precies betaald wat er aan hulp is ontvangen.
Artikel 13 Verschil formele en informele hulp
In dit artikel wordt uitgelegd wanneer sprake is van formele en wanneer van informele hulp bij het pgb. Dit is bijvoorbeeld belangrijk voor het vaststellen van het toepasselijke tarief (zie artikel 15 van deze verordening). De inwoner kan de hulp laten verlenen door een persoon uit zijn of haar sociale netwerk. Er gelden dan wel een aantal voorwaarden. Bij het opstellen van de Wmo is hierover gezegd ‘hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning daarbij met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de jeugdige/ inwoner en zijn ouders’. Hieraan is in dit artikel invulling gegeven.
Als de inwoner hulp krijgt van een persoon uit huiselijke kring, zoals een familielid, een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger, is altijd sprake van informele hulp en geldt dus het tarief voor informele hulp. Dit betekent dat het behoren tot de huiselijke kring van de inwoner doorslaggevend is en niet de kwalificaties van de hulpverlener. Als voorbeeld: een vader biedt zijn kind individuele begeleiding en heeft daarvoor relevante beroepskwalificaties. Deze vader krijgt toch het tarief voor informele hulp. Het enige criterium is namelijk dat de vader tot de huiselijke kring behoort van het kind.
Als een inwoner ervoor kiest met het pgb formele hulp in te kopen, gelden hiervoor dezelfde kwaliteitseisen aan de aanbieder van deze ondersteuning als wanneer deze ondersteuning zou zijn ingekocht. Daarnaast gelden bij jeugdhulp de kwaliteitseisen die in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet staan.
Artikel 14 Weigeringsgronden pgb
De weigeringsgronden uit dit artikel vullen de algemene weigeringsgronden uit artikel 10 van deze verordening aan en als de weigeringsgronden voor pgb die in de Wmo (artikel 2.3.6) en Jeugdwet (artikel 8.1.1) aan. De weigeringsgronden zijn een invulling van de wettelijke weigeringsgronden. De gemeente moet ervan overtuigd zijn dat de jeugdhulp die met een pgb wordt ingekocht van goede kwaliteit is, dan wel de maatschappelijke ondersteuning van de Wmo veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt.
Voordat aan een inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt, wordt van hem verwacht dat hij of zij een beroep doet op familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt voor activiteiten waarvan het gangbaar is dat deze door het sociale netwerk worden verricht, zoals het ondernemen van (sociale) activiteiten met de inwoner eh het doen van boodschappen.
onder a voorwaarden verordening
Deze weigeringsgrond spreekt voor zich. Het gaat om de voorwaarden in artikel 9 en 12 van deze verordening.
onder b spoedeisende gevallen
Omdat bij spoedeisende gevallen geen onderzoek gedaan kan worden, wordt geen maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb verstrekt.
onder c inkomstenderving
Uit jurisprudentie volgt dat in beginsel van ouders mag worden verwacht meer dan gebruikelijke hulp te verrichten voor hun kind, dus ook hulp die niet gebruikelijk is. Dat geldt ook als een van ouders zijn of haar baan heeft opgezegd in verband met de ondersteuning voor het kind. Wel moet mogelijk worden uitgezocht of er sprake is van financiële zelfredzaamheid van de ouders.
onder d hogere kosten in vergelijking met voorziening in natura
De gemeente kan het pgb weigeren voor het gedeelte dat duurder is dan de maatwerkvoorziening in natura. De inwoner kan er dan voor kiezen toch de duurdere voorziening in te kopen en het verschil zelf bij te betalen.
onder d beheer en hulp gescheiden
In het algemeen geldt dat één en dezelfde hulpverlener niet in staat is met voldoende afstand en kritisch de beheertaken uit te voeren van eigen geboden hulp. Degene die het pgb beheert moet in staat zijn overeenkomsten met de hulpverlener te sluiten, deze hulpverlener aan te sturen en aan te spreken op zijn of haar verplichtingen. Een dubbelrol bij een ouder mag dus ook niet.
onder e niet pgb-vaardig
Deze weigeringsgrond staat ook in de Wmo en de Jeugdwet. Als aanvulling daarop wordt hier echter aangegeven wanneer de inwoner niet geacht wordt pgb-vaardig te zijn. Schuldenproblematiek maakt bijvoorbeeld de kans groot en aannemelijk dat de inwoner (of de pgb-beheerder) voor het beheren van een pgb over onvoldoende vaardigheden beschikt. Het is daarom niet wenselijk dat een inwoner (of de pgb-beheerder), zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, zelf een pgb beheert. Ernstige verslavingsproblematiek en een aanmerkelijke verstandelijke beperking bij de inwoner (of de pgb-beheerder) kunnen invloed hebben op de mate waarin regie kan worden gevoerd over het pgb. Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, geldt dat ook. Wanneer een inwoner (of de pgb-beheerder) een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, kan dit tot slot ook spelen. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de ziekte van Korsakov. Indien nodig kan medisch advies worden ingewonnen. De inwoner (of de pgb-beheerder) moet tot slot de voorwaarden, verantwoordelijkheden, taken en eisen die komen kijken bij een pgb goed te begrijpen. Het onmachtig zijn van de Nederlandse taal kan daarom een reden zijn om geen pgb toe te kennen.
onder f besteding in het buitenland
Uit jurisprudentie volgt dat een pgb kan worden gebruikt om in een ander EU-lidstaat hulp in te kopen. Omdat onvoldoende controle op de kwaliteit kan worden uitgeoefend gaat de gemeente hier erg terughoudend mee om. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als het om hulp gaat die al in Nederland wordt ingezet en waarbij het gaat om een voortzetting in het buitenland van maximaal 6 weken.
onder g meer inzet dan 48 uur of 40 uur per week
Dit is opgenomen om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen en overbelasting te voorkomen. Hier wordt aangesloten bij wetgeving over arbeidstijden en de Wet langdurige zorg.
onder h eerder oneigenlijk gebruik of fraude
Als is vastgesteld dat de inwoner eerder oneigenlijk gebruik of fraude heeft gepleegd met een pgb, kan hij of zij niet opnieuw in aanmerking komen voor een pgb. Wanneer een inwoner (of de pgbbeheerder) eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien de inwoner (of de pgb-beheerder), dan wel het bedrijf waar de pgb-beheerder werkt, eerder betrokken is geweest specifiek bij pgb-fraude.
onder i pgb niet vanuit het sociaal netwerk
Een aantal vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp kan niet door informele hulp worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld behandeling (jeugd-GGZ) is een vorm van jeugdhulp die alleen door formele hulp kan worden geboden. Om welke andere vormen van hulp en ondersteuning het gaat is hier opgenomen.
In het derde lid staat een weigeringsgrond die is gericht op de aanbieder. Er kan bijvoorbeeld aan de integriteit van de aanbieder worden getwijfeld als deze betrokken is geweest bij strafbare feiten, handhavende maatregelen opgelegd heeft gekregen of de aanbieder zich niet professioneel gedraagt.
Artikel 15 Hoogte pgb
Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd voor het bepalen van de hoogte van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Een op basis van deze uitgangspunten vastgesteld pgb moet de inwoner in staat stellen de benodigde ondersteuning te kunnen inkopen. Waarbij dus geldt dat de gemeente het pgb gedeeltelijk kan weigeren wanneer de kosten van het pgb hoger zijn dan de maatwerkvoorziening in natura.
De hoogte van een pgb wordt in belangrijke mate bepaald door wat het de gemeente zou kosten als de maatwerkvoorziening in natura zou worden verstrekt. Bij het inkopen van diensten is dat bij een hulpverlener in dienst van een instelling en percentage van maximaal 90%. Bij de hulpverlener die werkzaam is als zelfstandige wordt een percentage van maximaal 75% aangehouden. Het is ook mogelijk dat vanuit het pgb informele hulp wordt betaald. Deze persoon krijgt hiervoor een tarief van maximaal 50% van het [laagste] toepasselijke tarief per uur dat een door de gemeente gecontracteerde aanbieder hiervoor zou ontvangen. Op basis van recente jurisprudentie van de Centrale Raad geldt er wel een ondergrens. Namelijk het hoogste periodieke loon volgens de toepasselijke CAO. Voor huishoudelijke hulp is dat bijvoorbeeld de CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg.
Verder geldt voor woonvoorzieningen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen dat het pgb niet meer bedraagt dan het bedrag dat de gemeente zelf zou moeten betalen voor deze voorzieningen. Bij een pgb voor een woningaanpassing is het van belang dat de hoogte wordt vastgesteld op basis van een programma van eisen. Bij woningaanpassingen kunnen bijkomende noodzakelijke kosten aan de orde zijn, zoals een bouwtekening. De gemeente kan een pgb vaststellen op basis van een offerte zodat de hoogte van het pgb op objectieve wijze kan worden vastgesteld. Het kan gaan om een offerte die de gemeente zelf opvraagt, maar ook een offerte die de inwoner aan de gemeente overhandigt.
Belangrijk te vermelden is dat het in dit artikel om maximale tarieven gaat. Als op basis van het budgetplan een passende voorziening voor een lager tarief dan het maximale tarief kan worden ingekocht, geldt dat tarief. Als aan de andere kant het vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, kan het tarief zo worden aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
Het kan zijn dat een hulpverlener wordt ingezet die niet valt onder de categorieën die in het derde lid van dit artikel worden genoemd, maar ook niet behoort tot het sociale netwerk van de inwoner. Deze hulpverlener krijgt dan het tarief voor het sociale netwerk.
De daadwerkelijke pgb-tarieven staan in het financieel besluit.
Hoofdstuk 6 Kwaliteit
Artikel 16 Kwaliteit maatwerkvoorzieningen
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen wordt vanuit de Wmo bij de gemeente én de aanbieder gelegd. Het is aan de gemeente te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. In het eerste lid van dit artikel zijn hiervoor een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. In de contracten met aanbieders worden nadere eisen beschreven. Deze kwaliteitseisen gelden ook voor aanbieders die formele hulp bieden op basis van een pgb. In het tweede lid wordt beschreven hoe de gemeente toeziet op naleving van de kwaliteitseisen.
Voor jeugdhulp geldt dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) samen toezicht houden op de kwaliteitseisen die in de Jeugdwet staan. De gemeente heeft daarin geen taak. Wel kan de gemeente aanvullende kwaliteitseisen stellen. Dit doet de gemeente in deze verordening bijvoorbeeld met dit artikel. Het toezien op naleving van die aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen is aan de gemeente. Hoe de gemeente dit doet staat in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit maatwerkvoorzieningen
Dit artikel gaat over de verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van maatwerkvoorzieningen. Zo wordt geregeld dat de gemeente voor het leveren van een dienst een vaste prijs of een reële prijs vaststelt. De reële prijs geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een contract met de aanbieder of geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval de gemeente een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat aanbieders een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien de gemeente een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de aanbieders gelijk zijn aan de vaste prijs.
Bij het vaststellen van de prijs moet de gemeente rekening houden met kwaliteitseisen van die maatwerkvoorziening. Hieronder vallen de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht (gelet op de toepasselijke CAO-schalen ten opzichte van de zwaarte van de functie) en met de continuïteit in de hulpverlening. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere elementen genoemd waarmee de gemeente bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening moet houden. Hiermee wordt bereikt dat een passend beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de maatwerkvoorzieningen die de gemeente bij de aanbieders wil inkopen. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.
Verder wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij de vaststelling van prijzen die het hanteert voor maatwerkvoorzieningen als diensten, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen.
Artikel 18 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
In de Wmo en Jeugdwet staat dat de aanbieder bij de toezichthouder (uit artikel 22 van deze verordening) meteen melding doet van iedere calamiteit en van geweld die bij de verstrekking van een algemene of maatwerkvoorziening heeft plaats gevonden. In dit artikel wordt dit verder uitgewerkt.
Hoofdstuk 7 Bijdrage in de kosten maatwerkvoorziening Wmo en mantelzorgwaardering
Artikel 19 Bijdrage in de kosten maatwerkvoorziening Wmo
In dit artikel wordt de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen voor de Wmo beschreven. De gemeente vraagt voor deze maatwerkvoorzieningen een bijdrage tot een maximumbedrag zoals opgenomen in de Wmo (artikel 2.1.4a). Voor algemene voorzieningen wordt geen eigen bijdrage gevraagd. De toegang is daarmee laagdrempeliger en zo kunnen de algemene voorzieningen een preventieve werking hebben. Ook voor woningaanpassingen voor jeugdigen tot 18 jaar wordt geen bijdrage gevraagd. De bijdrage geldt namelijk ook niet voor andere maatwerkvoorzieningen voor jeugdigen.
De bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening (in natura en in de vorm van een pgb) is niet meer dan de kostprijs daarvan. De inwoner betaalt dus nooit meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. Hoe de kostprijs wordt vastgesteld wordt ook toegelicht in dit artikel. Bij collectief vervoer wordt voor elke rit een bijdrage gevraagd. Dit is een gereduceerd tarief dat een inwoner betaalt voor het reizen in de eigen leefomgeving.
In het Uitvoeringsbesluit Wmo (hoofdstuk 3) staat verder hoe de bijdrage wordt geïnd en welke uitzonderingen er bijvoorbeeld zijn. De bijdrage is overigens een vast tarief per maand (ook wel abonnementstarief genoemd). Naar verwachting wordt dit tarief in 2025 afgeschaft en wordt de bijdrage weer inkomensafhankelijk.
Artikel 20 Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Mantelzorgers die mantelzorg verlenen aan een inwoner van de gemeente komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering. De waardering kan worden aangevraagd bij Pit Baarn en de hoogte ervan staat in het financieel besluit.
Hoofdstuk 8 Tegemoetkomingen
Artikel 21 Tegemoetkomingen
Als inwoners aannemelijke meerkosten hebben, kan de gemeente op aanvraag een financiële tegemoetkoming verstrekken. Meerkosten zijn extra kosten die het leven met een beperking met zich brengt. De tegemoetkoming is een vorm van een maatwerkvoorziening en dit betekent dat de overige artikelen uit deze verordening van toepassing zijn op de tegemoetkoming. Het gaat bijvoorbeeld om een tegemoetkoming voor een sportvoorziening of een kilometervergoeding voor eigen vervoer. De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks vastgesteld en in het financieel besluit opgenomen.
Ook kent de gemeente de tegemoetkoming voor kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie. Voor inwoners die de opvoeding en verzorging van hun kind(eren) tijdelijk niet meer aan kunnen door lichamelijke, psychische of sociale problemen kent de gemeente de tegemoetkoming voor kinderopvang met een sociaal- medische indicatie. Meer over deze tegemoetkoming staat in de Nadere regels tegemoetkoming SMI-kinderopvang gemeente Baarn.
Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving maatwerkvoorzieningen
Artikel 22 Fraudepreventie en controle
In dit artikel staan de regels voor het bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening ,het maken van misbruik of oneigenlijk gebruik daarvan. Uiteraard moet voorkomen worden dat een maatwerkvoorziening ten onrechte wordt ontvangen of dat daar misbruik of oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt. De gemeente zet dan ook in op preventie door duidelijke informatie te geven over aan de ene kant de rechten en plichten van de inwoner en aan de andere kant de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Als er sprake is van (een vermoeden) van fraude komt het fraudebeleid van de gemeente in beeld. Dit beleid is neergelegd in het Beleidsplan toezicht en handhaving Sociaal Domein. In dat kader stelt de gemeente een toezichthouder aan voor zowel de Wmo als de Jeugdwet. Het gaat om toezicht op rechtmatigheid van de verstrekking van de maatwerkvoorziening. De Jeugdwet bevat in tegenstelling tot de Wmo overigens geen wettelijke verplichting om een toezichthouder aan te wijzen, maar sluit deze mogelijkheid ook niet uit. Met dit artikel wordt hiervoor een grondslag geboden. De aan te wijzen toezichthouder handelt op basis van de bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze zijn vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 23 Maatregelen om te handhaven
In dit artikel staat wat de gemeente kan doen als zij mogelijk wil terugkomen op een eerder besluit. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van de gemeente. Bij de toepassing daarvan hoort een afweging tussen de belangen van de inwoner en de belangen van de gemeente om gebruik te maken van de maatregelen in dit artikel.
Soms is het opschorten van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan het meteen beëindigen of weigeren of zelfs intrekken of herzien van het besluit. Met een opschorting kan er ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. De gemeente kan de SVB vragen om de betalingen uit het pgb op te schorten als er een vermoeden is dat de inwoner het pgb anders ten onrechte kan inzetten. Dat is bijvoorbeeld het geval als de inwoner langer dan 8 weken in een instelling van de Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet verblijft.
In dit artikel staat ook de inlichtingenplicht voor de inwoner. Deze komt uit zowel de Wmo als de Jeugdwet. Het gaat om alle feiten en omstandigheden die voor belang zijn van het voortzetten van het recht op een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb. In dat laatste geval geldt de inlichtingenplicht overigens ook tegenover de SVB.
Verder wordt in het artikel opgesomd wat de gemeente kan doen als de inwoner zich bijvoorbeeld niet houdt aan de inlichtingenplicht of als hij of zij de maatwerkvoorziening voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herzien en intrekken, geen terugwerkende kracht. Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien en intrekken genoemd. Herziening en intrekking van het besluit is dus het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.
Zowel in de Jeugdwet als de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan de gemeente gegeven tot het terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening. Dit kan overigens alleen maar als de inlichtingenplicht niet is nagekomen.
Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening.
Het derdenbeding is ten slotte een afspraak in de zorgovereenkomst die de inwoner beschermt bij oneigenlijk gebruik van de hulpverlener. Hierdoor kan de gemeente onterechte betalingen direct bij de hulpverlener terugvragen. Hoofdstuk 10 Klachten en inspraak
Artikel 24 Klachten
De gemeente heeft een klachtenregeling voor klachten van inwoners die gaat over de manier waarop meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening zijn afgehandeld. Ook aanbieders zijn gehouden een klachtenregeling op te stellen. De gemeente ziet erop toe dat aanbieders dat ook doen.
Artikel 25 Inspraak
De aanbieder is voor maatwerkvoorzieningen verplicht een regeling voor medezeggenschap van cliënten vast te stellen over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor deze cliënten belangrijk zijn. Ook op de naleving van deze verplichting ziet de gemeente toe.
Artikel 26 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Uit de Wmo en de Jeugdwet volgt dat in deze verordening moet worden bepaald hoe inwoners worden betrokken bij de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet. Hiervoor is in Baarn de Participatieverordening vastgesteld.
HOOFDSTUK 11 OVERIGE ARTIKELEN
Artikel 27 Nadere regels
De gemeente kan nadere regels opstellen over de uitvoering van deze verordening. Deze nadere regels komen in de Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn en het financieel besluit te staan.
Artikel 28 Hardheidsclausule
Met de hardheidsclausule kan de gemeente in uitzonderlijke gevallen afwijken van de verordening. De verordening mag niet leiden tot ‘onbillijkheden van overwegende aard’. Deze juridische term betekent dat de verordening niet een onbedoeld gevolg mag hebben voor iemand. Van een onbedoeld gevolg is sprake als er een situatie is waarmee bij het opstellen en afwegen van de verordening geen rekening is gehouden en waarmee iemand in een schrijnende situatie terecht komt. Dat de verordening ongunstig uitpakt voor een inwoner is geen onbedoeld gevolg. De gemeente moet immers keuzes maken en deze keuzes vallen niet allemaal even positief uit voor elke inwoner. Hiermee is rekening gehouden bij het nemen van het besluit.
Artikel 29 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Logischerwijs wordt de oude verordening ingetrokken met deze nieuwe verordening. In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die vóór deze verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan met deze verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze met de oude verordening worden afgedaan.
Artikel 30 Inwerkingtreding en naam verordening
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald, namelijk Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Baarn 2024.
Hoofdstuk 11 OVERIGE ARTIKELEN
Artikel 30 Inwerkingtreding en naam verordening
Artikel 30 Inwerkingtreding en naam verordening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2024