Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.3

Relatie met nationale onderzoeksagenda

Onderdeel van Geactualiseerd archeologibeleid en onderzoeksagenda archeologie gemeente Vijfheerenlanden

NOaA2: thema 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap In hoeverre beïnvloedden reeds aanwezige antropogene structuren de verdere inrichting en ontwikkeling van cultuurlandschappen?(NOaA 2.0-vraag 19) Welke invloed hadden lokale landschappelijke omstandigheden (bodem, vegetatie) op regionale huisbouwtradities?(NOaA 2.0-vraag 116) Hoe beïnvloedde de uitbreiding van veen het landgebruik?(NOaA 2.0-vraag 42) Hoe fluctueerde de grondwaterspiegel en wat waren daarvan de effecten op landschap en landgebruik?(NOaA 2.0-vraag 37) Welke invloed hadden in veengebieden bodemdaling en vernatting op landgebruik en bewoningspatronen?(NOaA 2.0-vraag 41) NOaA2: thema 18. Dorpsvorming Wanneer begonnen en hoe verliepen de grote laatmiddeleeuwse ontginningen?(NOaA 2.0-vraag 82) Hoe, waar en wanneer ontstaan plaatsvaste dorpen?(NOaA 2.0-vraag 75) Binnen welke context en op welke wijze komt in nederzettingen planmatige ordening tot stand?(NOaA 2.0-vraag 125) Hoe en onder invloed van welke factoren verliep de bewoningsexpansie op het (post)middeleeuwse platteland?(NOaA 2.0-vraag 83) NOaA2: thema 20. De relatie stad – platteland Welke invloed had de stad op het omringende platteland en omgekeerd?(NOaA 2.0-vraag 87) Welke invloed hadden havensteden op hun achterland?(NOaA 2.0-vraag 97) NOaA2: thema 21. De dynamiek van het landgebruik Hoe, binnen welke context en met welk doel werden ruimtes afgebakend en grenzen gemarkeerd?(NOaA 2.0-vraag 106) Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd?(NOaA 2.0-vraag 107) Welke invloed had de landbouwende mens (akkerbouw en veeteelt) op vegetatie en fauna?(NOaA 2.0-vraag 15) Hoe en wanneer werden hoogveengebieden geëxploiteerd, gekoloniseerd, gedraineerd en ontgonnen?(NOaA 2.0-vraag 47) Wanneer, waar en in welke mate vonden erosie en sedimentatie onder invloed van water plaats, en in hoeverre is er een verband met (welke?) menselijke activiteiten?(NOaA 2.0-vraag 18) Op welke wijze werden perifere gebieden (‘marginale’ landschappelijke zones) economisch gebruikt en welke archeologische verschijnselen (sporen, resten van voorzieningen) getuigen van dit gebruik?(NOaA 2.0-vraag 33) Wanneer begonnen en hoe verliepen de grote laatmiddeleeuwse ontginningen?(NOaA 2.0-vraag 82)

Rechtspraak bij dit artikel