De hulpofficier van justitie te machtigen om de volgende handelingen te verrichten:
overleg te plegen met Veilig Thuis over het voornemen om een huisverbod op te leggen wegens kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan;
het mondeling aanzeggen van het huisverbod aan de uit huis te plaatsen persoon indien de situatie zo spoedeisend is dat het huisverbod niet tevoren op schrift gesteld kan worden;
het mededelen van het huisverbod en de consequentie van niet naleven daarvan aan de huisgenoten van de uithuisgeplaatste en de betrokken instanties;
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand in kennis te stellen, die voor de uithuisgeplaatste een raadsman aanwijst, indien de uithuisgeplaatste geen raadsman heeft en desgevraagd rechtsbijstand wenst.