Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7.3

Horizontale ligging

Onderdeel van Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht (Handboek kabels en leidingen)

1.. Het kabel- en leidingentracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd. 2.. In het overig deel van de openbare weg worden o.a. de riolering, het warmtenet en transportleidingen gesitueerd. 3.. De minimale afstand tussen het kabel- en leidingentracé en perceelgrens is situatie-afhankelijk. Het standaardprofiel staat in Bijlage 1 van dit Handboek. 4.. Indien een vergunning of instemming wordt aangevraagd in een gebied waar bepaalde tracés zijn vastgesteld, moeten die afgesproken tracés worden opgenomen in tracé tekeningen van vergunning- of instemmingsaanvragen (bijvoorbeeld groene tracés in Leidsche Rijn en andere uitbreidingsplannen). De gemeente stelt een kaartlaag (.dwg of .shp) beschikbaar met daarop het betreffende tracé. 5.. De kaartlaag met kwetsbare boomzones met gemeentelijke bomen moet als ondergrond in tracé tekeningen van vergunning- of instemmingsaanvragen worden opgenomen. De gemeente stelt de meest recente kaartlaag (.dwg of .shp) beschikbaar. 6.. Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. De horizontale indeling is weergegeven in het standaard profiel (Bijlage 1 van dit Handboek). 7.. In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij de toezichthouder hiermee instemt. 8.. Handholes c.q. distributiepunten mogen niet aangebracht worden in kabel- en leidingtracés, rijbanen, fietspaden, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- of uitritten van percelen en niet binnen een kwetsbare boomzone. De handholes c.q. distributiepunten worden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, inpandig, groenvoorzieningen of bermen in lijn met ander straatmeubilair. In overleg met de toezichthouder kan hiervan worden afgeweken. Bij de vergunning- of instemmingsaanvraag moet een concept visuele weergave van de inpassing (incl. locatie, kleur en afmetingen) van bovengrondse elementen zoals kasten, trafostations en centrales worden ingediend ten behoeve van toetsing door de BInG en vergunning- of instemmingverlener. Bij uitbreidingsplannen stemt de netbeheerder de inpassing af met de projectontwikkelaar conform Handboek Openbare Ruimte (HOR)). 9.. De netbeheerder dient schriftelijk toestemming van het college te krijgen om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom of in beheer zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van (mantel)buizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk aanwezig zijn. 10.. De in deze paragraaf beschreven basisprincipes worden zoveel mogelijk nagevolgd. In bijzondere gevallen kan het college een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven. Dit moet in de vergunning of instemmingsbesluit (of een aanpassing van een vergunning of instemming) worden vastgelegd. 11.. Als een kabel of leiding niet conform het standaardprofiel kan worden gelegd omdat er al een andere kabel of leiding op de plek van het standaardprofiel ligt, meldt de netbeheerder dit aan de toezichthouder, waarna de toezichthouder, na overleg met de netbeheerder, een alternatief tracé aanwijst dat zoveel mogelijk aansluit bij het vergunde of ingestemde tracé c.q. het voorkeursprofiel. Dit wordt vastgelegd als een afwijking van de vergunning of het instemmingsbesluit. Deze beleidslijn geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de Verordening ondergrond: kabels, leidingen en boomwortels gemeente Utrecht. Deze beleidslijn geldt voor de wijk Leidsche Rijn vanaf 1998. 12.. Het college kan de netbeheerder of rechthebbende gelasten een kabel of leiding aan te passen, te verleggen of te verwijderen als die kabel of leiding niet in het standaardprofiel ligt, tenzij het college of de toezichthouder heeft ingestemd met een afwijking van het standaardprofiel. Dit laat onverlet dat het college het recht heeft de verplaatsing, aanpassing of verwijdering van een kabels of leiding te gelasten indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is vanwege de (her)inrichting van openbare gronden, waaronder mede begrepen de uitvoering van werkzaamheden, de realisatie van een werk, of de aanleg van groenvoorzieningen, door de gemeente of derden, zoals omschreven in artikel 13 van de verordening.

Rechtspraak bij dit artikel