Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8

Artikel 8.9

Werken in of met verontreinigde grond

Onderdeel van Nadere regel kabels en leidingen gemeente Utrecht (Handboek kabels en leidingen)

1.. Opwerkzaamheden in of met verontreinigde grond is naast de relevante wet- en regelgeving de CROW publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ van toepassing. De netbeheerder werkt altijd volgens de meest recente versie van deze richtlijnen. 2.. De netbeheerder moet vooraf inventariseren (CROW-publicatie 400) of er zich verdachte locaties binnen de werkomgeving bevinden en waar de bodem verontreinigd kan zijn. Bij de gemeente Utrecht kan de aanwezige (historische) bodeminformatie worden aangevraagd op het digitale bodemloket van de gemeente (https://utrecht.nazca4u.nl/Rapportage/). 3.. Indien de geplande werkzaamheden in de bodem meer dan 10 meter buiten de aangegeven locatiecontouren worden uitgevoerd, is geen verder bodemonderzoek nodig. De bodemkwaliteit voldoet dan naar verwachting minimaal aan de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse Wonen zoals bedoeld in tabel 1 van Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Zie in dit verband ook de vigerende bodemkwaliteitskaart. Indien er wel samenloop is met de bekende locatiecontouren, of het werk binnen 10 meter van zo’n contour wordt uitgevoerd, is aanvullend en/of nader bodemonderzoek benodigd. 4.. Werkzaamheden in (verontreinigde) grond of grondwater moeten worden gemeld via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). 5.. De netbeheerder moet de vereiste (wettelijke) procedures voor ontgraven en hergebruik van grond volgen. Kosten in verband met stagnatie in uit te voeren werk komen niet voor rekening van de gemeente. Verwerken van overtollige grond in de directe omgeving van het werk is alleen toegestaan conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Indien de ontgraven grond niet hergebruikt mag worden, moet deze naar een erkend en gecertificeerd verwerkingsbedrijf worden gebracht. Een afschrift en/of een digitale versie van de correspondentie met betrokken instanties en/of de acceptatie- of stortbonnen van het verwerkingsbedrijf moet op het werk aanwezig zijn. Een kopie daarvan kan op verzoek overhandigd of getoond worden aan de toezichthouder. 6.. De netbeheerder zorgt voor eigen rekening dat de vervangende grond schoon en voor verwerking geschikt is volgens alle gestelde (wettelijke) eisen. Indien (aanvul)grond wordt aangevoerd van buiten de locatie, wordt dit gemeld via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Dit geldt ook voor de eventuele tijdelijke opslag van (aanvul)grond op het werkterrein of op een ander terrein. Een afschrift en/of een digitale versie van de levering bon moet op het werk aanwezig zijn. Een kopie daarvan kan op verzoek overhandigd of getoond worden aan de toezichthouder. 7.. De netbeheerder bepaalt zelf of ze haar kabels en leidingen in verontreinigde bodem wil leggen. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de werknemers (Arbowetgeving) en voor de eventuele aantasting van kabels en leidingen door bodemverontreiniging ligt bij de netbeheerder. Indien een netbeheerder een kabel of leiding wil aanleggen in een gebied waarvan is en wordt vastgesteld dat de bodem verontreinigd is, ligt een eventuele verplichting om te saneren of tijdelijke beschermingsmaatregelen of voorzieningen te treffen, voor eigen rekening, bij de netbeheerder. 8.. Komt een netbeheerder vervuilde grond of grondwater tegen die niet bekend was bij het college, dan wordt dit direct gemeld bij de toezichthouder en wordt het werk gestaakt. Daarna worden er passende maatregelen genomen in samenspraak met de toezichthouder.

Rechtspraak bij dit artikel