Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2

Criteria ten aanzien van het verkeer op de weg in gevaar brengen.

Onderdeel van Beleidsregels Uitwegvergunningen

1.. Als het veilig en doelmatig gebruik van de weg in het geding komt wanneer een uitweg veranderd of aangelegd wordt, wordt de uitwegvergunning geweigerd indien de uitweg komt te liggen: binnen een afstand van 5 meter van het tangentpunt van een bocht. binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruispunt, T-splitsing of rotonde. Een uitzondering hierop zijn de uitwegen in een 30 km gebied, die verkeerskundig goed zijn ingericht en geen verkeersonveilige situaties opleveren. binnen een afstand van 25 meter tot kruispunten met verkeerslichten, of op kruispunten met hoofdwegenstructuren, of bij voorsorteervakken dan wel opstelstroken over een afstand van 25 meter tot de stopstreep. binnen een afstand van 25 meter van een spoorwegovergang. op een plaats waar wegens te beperkte manoeuvreerruimte met een personenauto niet direct kan worden op- of afgereden. op een plaats waarbij de bestuurder van een personenauto bij het uitrijden van de uitweg geen zicht heeft of kan hebben op de weg, op trottoir, of op fiets- en/ of voetpad waardoor onoverzichtelijke en/of onveilige situaties kunnen ontstaan. bij een uitweg die smaller is dan 2,5 meter of op een plaats waar de weg zo smal is dat de uitweg wegens beperkte manoeuvreerruimte met een personenauto niet direct kan worden in- of uitgereden. op een plaats waar de uitweg op een fiets- en/of voetpad uitkomt en dat pad in lengterichting moet worden bereden om de openbare ruimte te bereiken. op de plaats van een voor de openbare verlichting aanwezige lantaarnpaal en/ of ander straatmeubilair en die wegens de verlichtingseisen en/of andere belemmeringen niet te verplaatsen is. op een plaats uitkomt in een wegversmalling/chicane/drempel of midden-geleider en bij verplaatsing van deze objecten het beoogde effect verdwijnt. 2.. Een uitwegvergunning wordt tevens geweigerd : op wegen met een maximumsnelheid van 50 km/h of 80 km/h, waarbij verwacht wordt dat de uitweg een negatieve invloed heeft op de verkeersveiligheid als gevolg van een te groot snelheidsverschil of verhoogde kans op een onjuiste inschatting. op een drukke weg (met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal), of bij het moeten passeren van een druk voet- of fietspad, bijvoorbeeld langs een gebiedsontsluitingsweg of in een winkelgebied. bij een uitweg met een helling, bijvoorbeeld van een parkeerkelder, die zich dichter dan vijf meter van de openbare weg bevindt, waardoor een voertuig niet horizontaal kan stilstaan om de weg, het fietspad of het trottoir te overzien. bij een uitweg die korter is dan 5,0 meter of smaller dan 2,5 meter waardoor een (gemid-delde) personenauto niet volledig op het perceel past. ( zie ook parkeren voor de rooilijn in de toelichting bij par.e.)

Rechtspraak bij dit artikel