Algemeen
Het is aan het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag mogelijk zijn.
Eerste en tweede lid, sub a.
Eigen kracht verwijst naar de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. Het college verwacht van de cliënt dat hij zich inspant om dat aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Eigen kracht is ook:
het bevorderen van herstel (gebruik maken van behandelmogelijkheden);
een beroep doen op andere wetten;
een beroep doen op de aanvullende verzekering.
een voorziening realiseren of accepteren, voordat er een melding bij de gemeente is gedaan.
Primair stimuleert het college de cliënt zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten.
Eerste en tweede lid, sub b.
Het college beoordeelt of, en zo ja, in hoeverre de cliënt met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid. Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een cliënt en zijn huisgenoten. Iedere situatie is anders en vraagt om maatwerk.
In het kader van de huishoudelijke ondersteuning is het uitgangspunt dat de leefeenheid primair verantwoordelijk is voor het uitvoeren van alle huishoudelijke taken. Als de aanvrager huisgenoten heeft die huishoudelijke taken over kunnen nemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en geldt voor alle huisgenoten van 23 jaar en ouder.
Wanneer er gebruikelijke hulp van een gezond kind wordt verwacht, moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk.
Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. Het welbevinden en de ontwikkeling van kinderen is van groot belang. Bij eventuele inzet bij huishoudelijke taken dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt, waarbij het belang van het kind (waaronder schoolprestaties) een zwaarwegend criterium is. Er moet rekening mee worden gehouden dat een kind geen vervanger is ten aanzien van huishoudelijke taken, maar dat zijn of haar hulp kan leiden tot een vermindering van een eventuele indicatie voor huishoudelijke ondersteuning.
Eerste en tweede lid, sub c.
Mantelzorg is meer dan alleen de alledaagse zorg voor elkaar. Iemand is mantelzorger als hij iemand meer dan drie maanden - onbetaald –meer dan acht uur per week zorg geeft. Deze zorg is meer dan men normaal gesproken van elkaar kan verwachten.
Gezien de intensiviteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de cliënt afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. Als de belastbaarheid te gering is, wordt gekeken naar mogelijkheden ter ondersteuning van de mantelzorger door middel van voorliggende voorzieningen. Als dit de mantelzorger niet voldoende ontlast, kan (tijdelijk) een maatwerkvoorziening ingezet worden ten behoeve van het (op termijn) in stand houden van de mantelzorg.
Eerste en tweede lid, sub d.
Met het sociaal netwerk worden personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan familie, buren en vrienden.
Eerste en tweede lid, sub e.
Als een algemeen gebruikelijke voorziening wordt – in lijn met vaste jurisprudentie van de CRvB - aangemerkt een voorziening die:
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
daadwerkelijk beschikbaar is;
een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie, en;
financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimum niveau.
Om te bepalen of de voorziening gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau sluit het college aan bij het criterium dat wordt gehanteerd in het kader van de verlening van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen. Een hulpmiddel kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Daarbij mag ook rekening gehouden worden met tweedehands voorzieningen (zie ook Rechtbank Den Haag, 11-02-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2084 r.o. 4.4).
Eerste en tweede lid, sub f.
Algemene voorzieningen zijn voorzieningen waarvan iedereen met en zonder beperking gebruik kan maken. Hiervoor is geen beschikking nodig.
Eerste en tweede lid, sub g.
Het college draagt zorg voor afstemming met andere voorzieningen.
Artikel 6, derde lid
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) maakt onderscheid in de volgende maatwerkvoorzieningen:
diensten;
hulpmiddelen;
woningaanpassingen;
en andere maatregelen.
Ad 1. Diensten
Huishoudelijke hulp
Deze dienstverlening heeft als resultaat het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis en het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden. Voor toekenning in tijdseenheden wordt gebruik gemaakt van het in deze beleidsregels opgenomen normenkader.
Beperkingen in het voeren van het huishouden
Als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden of wanneer er sprake is van een (dreigend) disfunctioneren van het huishouden, kan hulp bij het huishouden als maatwerkvoorziening worden ingezet. Dit kan gedeeltelijke of volledige overname zijn van huishoudelijke taken.
De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk
Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimtes delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door één van de anders bewoner(s). Hulp bij het huishouden heeft dan alleen betrekking op de eigen woonruimte(n) van de cliënt. In geval van kamerverhuur is de (mede) huurder geen huisgenoot van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht.
Ook kinderen kunnen een bijdrage leveren in het huishouden.
Kinderen van 0 tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden.
Kinderen van 5 tot en met 12 jaar (naar eigen mogelijkheden) worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafel dekken/afruimen, vaatwasser in- en uitruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand doen.
Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij dezelfde lichte huishoudelijke werkzaamheden als 5- tot en met 12-jarigen en kunnen daarnaast hun eigen kamer op orde houden (opruimen, stofzuigen, bed verschonen).
Jongvolwassenen van 18 tot en met 22 jaar kunnen taken behorende tot een eenpersoonshuishouden verrichten. Daarnaast kan indien nodig de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.
Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen.
Huishoudelijke hulp is niet aan de orde in woningen of verblijven waar niet permanent wordt gewoond.
Planbare zorg
Indien zorg vooraf planbaar is (bijvoorbeeld wanneer de operatiedatum tijdig bekend is) en de hulp is minder dan 6 weken noodzakelijk, bestaat er in beginsel geen indicatie voor hulp bij het huishouden.
Normenkader
Het kunnen voeren van een huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Adequaat een huishouden voeren is een zeer subjectief begrip waarop iedereen eigen normen en waarden hanteert. Om dit te objectiveren en zo beter de noodzaak voor een maatwerkvoorziening te kunnen vaststellen wordt gebruik gemaakt van een normenkader. Van deze normtijden mag worden afgeweken, mits dit voldoende gemotiveerd wordt.
Algemene uitgangspunten
Er worden standaard normtijden gehanteerd waarbij rekening wordt gehouden met de volgende punten:
Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
de cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap.
het gaat over de vertrekken in huis die daadwerkelijk frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijn.
het gaat om de binnenkant van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier dus niet onder.
het gaat om een gemiddelde cliëntsituatie (een- of tweepersoonshuishouden zonder thuiswonende kinderen). Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen in vorm van ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd.
wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kan aanvullend maatwerk ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding.
de professionele hulp verdeelt zelf de uit te voeren werkzaamheden en de beschikbaar gestelde minuten in de tijd, uiteraard in overleg met de cliënt. Zo worden uiteindelijk alle activiteiten met de overeengekomen frequentie uitgevoerd (dus ook de activiteiten die niet elke week hoeven worden uitgevoerd).
Indirecte tijd
De indirecte tijd maakt standaard integraal onderdeel uit van de normtijden zoals genoemd bij de verschillende onderdelen hulp bij het huishouden. Het gaat dan om de tijd die de huishoudelijke hulp per bezoek nodig heeft voor aankomst en vertrek, het pakken en opruimen van schoonmaakspullen, administratie bij de cliënt en sociale interactie met de cliënt. Hierbij gaat het om de tijd dat de hulp in de woning van de cliënt aanwezig is, en niet om de reistijd.
Grote schoonmaakregeling
Voor cliënten die huishoudelijke hulp als zorg in natura ontvangen bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van de “Grote schoonmaakregeling”.
Hiermee kunnen zij tweemaal per jaar voor niet reguliere werkzaamheden voor minimaal 2 en maximaal 4 uur aaneengesloten tegen een gereduceerd tarief van € 5,40 per uur huishoudelijke hulp inhuren.
Persoonlijke verzorging
Cliënten kunnen aanspraak maken op persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met een behoefte aan begeleiding en wanneer er geen sprake is van geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. In dat geval kent het college een maatwerkvoorziening voor begeleiding toe.
Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan bestaan uit hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Het gaat in deze gevallen niet om het daadwerkelijk douchen en aankleden van de cliënten, maar om begeleiding hierbij.
Begeleiding en dagbesteding
Op grond van de Wmo 2015 kent het college maatwerkvoorzieningen toe ten behoeve van de zelfredzaamheid en de participatie en ten behoeve van opvang en beschermd wonen. Een maatwerkvoorziening moet gericht zijn op het verbeteren van de participatie en/of zelfredzaamheid.
Vervoer naar dagbesteding
Wanneer een cliënt een indicatie voor dagbesteding heeft wordt gekeken of de cliënt op eigen kracht vervoer kan regelen of gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Wanneer dit niet kan, kan het college een vervoersindicatie verstrekken. Er kan een basis vervoersindicatie worden verstrekt of vervoer voor rolstoel gebonden cliënten.
Het onderdeel vervoer heeft uitsluitend betrekking op vervoer van en naar de dagbesteding. Het vervoer wordt per deelname-dag gedeclareerd en vergoed.
Kortdurend verblijf (logeren)
Kortdurend verblijf, ook wel logeeropvang genoemd, is tijdelijke verblijfszorg. Bij kortdurend verblijf woont een cliënt thuis maar logeert hij voor korte periodes in een instelling. Dit product kan als respijtvoorziening worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger. Op de locatie waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. De zorg omvat de benodigde begeleiding, bescherming, alarmering en servicekosten (inclusief maaltijden).
Het kortdurend verblijf is gelimiteerd en wordt per jaar tot maximaal 11 keer voor maximaal 3 aaneengesloten dagen plus 1 periode van maximaal 21 dagen aaneengesloten afgegeven.
Ad 2. Hulpmiddelen
Rolstoelvoorziening
Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen:
handmatig voortbewogen rolstoel;
elektrisch voortbewogen rolstoel;
aanpassingen aan de rolstoel.
Met aanpassingen worden bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleenservice van thuiszorgwinkels.
Sportvoorziening
Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening.
Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is. Bij kinderen in de groei kan hiervan worden afgeweken.
Het college vergoedt maximaal € 3000 op declaratiebasis voor aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening. Deze vergoeding wordt maximaal één keer per drie jaar verstrekt.
Vervoersvoorzieningen
Hieronder wordt een aantal maatwerkvoorzieningen voor vervoer nader toegelicht. Deze middelen worden geleverd door de leveranciers waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten.
Het noodzakelijke onderhoud en de reparaties worden betaald door de gemeente.
De cliënt sluit een bruikleenovereenkomst voor het middel af met de leverancier. In de bruikleenovereenkomst staat onder andere dat cliënt de verplichting heeft om als een ‘goed huisvader’ voor het vervoermiddel te zorgen. Als door toedoen van de cliënt reparatie of vervanging nodig is kunnen deze kosten op de cliënt worden verhaald.
Aangepaste fietsen
Dit zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. In beginsel wordt alleen voor deze aangepaste fietsen een voorziening toegekend en niet voor fietsen die ook in de reguliere handel worden verkocht. Deze fietsen worden aangemerkt als algemeen gebruikelijke voorziening. Uitzonderingen worden beoordeeld door het college.
Scootmobiel
Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer voor de korte en middellange afstanden. Als de cliënt niet zelfstandig gebruik kan maken van andere vervoersmiddelen en minder dan 100 meter kan lopen dan kan de cliënt in beginsel in aanmerking komen voor een scootmobiel. Deze voorziening wordt alleen verstrekt als cliënt verantwoord met het middel overweg kan en over een adequate stalling beschikt.
Gesloten buitenwagen/brommobiel
De brommobiel is niet specifiek voor gehandicapten bedoeld en wordt in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, mits deze kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Een gesloten buitenwagen wordt door de aanvrager vaak als gewenste oplossing voor het vervoersprobleem beschouwd, maar is meestal niet de goedkoopst compenserende oplossing. Alleen als op basis van (medisch) advies is vastgesteld dat geen van de andere (voorliggende) voorzieningen voldoet kan een gesloten buitenwagen worden overwogen.
Auto-aanpassingen
Alleen als het collectief vervoer of een andere vervoersvoorziening niet passend is, kan overwogen worden om een autoaanpassing te vergoeden. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen. Bij verstrekking van autoaanpassingen wordt van de aanvrager te verlangd dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan). Bij twijfel moet aanvrager dit door een autokeuring bij een erkend keuringsbedrijf laten vaststellen.
De Versis Regiotaxi
Wanneer een cliënt een probleem ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en participatie in relatie tot het vervoer kan daarvoor gezocht worden naar een oplossing. Er wordt onderzocht in hoeverre men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk of gebruik kan maken van een algemene voorziening.
Als aan bovenstaande wordt voldaan en een cliënt zich niet meer dan 800 meter (eventueel met hulpmiddelen) zelfstandig kan verplaatsen en/of niet met het Openbaar Vervoer (OV) kan reizen, dan kan de cliënt een indicatie krijgen voor collectief vervoer in de vorm van een Wmo-vervoerspas voor de Versis Regiotaxi.
Bij het toekennen van een Wmo-vervoerspas wordt het maximaal aantal kilometers per jaar gesteld op:
2.640 km bij een normale vervoersbehoefte;
1.320 km als er naast de pas een indicatie is voor een andere maatwerkvoorziening voor vervoer.
De vervoersvoorziening is niet bedoeld om te reizen in het kader van een betaalde baan, dagbesteding of vervoer naar medische behandelingen. Het woon-werkverkeer valt niet onder de Wmo 2015, daarvoor blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk.
Alle bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is een vervoerssysteem voor bovenregionaal vervoer en valt buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente.
Ad 3. Woningaanpassingen
Ondersteuning gericht op het wonen
De cliënt die, gezien zijn beperkingen, niet normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op het wonen. De consulent kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van een woningaanpassing of een maatwerkvoorziening ten behoeve van het zich kunnen verplaatsen in en om de woning, zoals een traplift. De maatwerkvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning.
Primaat van verhuizen
Wanneer verhuizing de goedkoopst adequate voorziening is geldt een verhuisplicht, tenzij sociale, medische, financiële of overige factoren zich hiertegen verzetten. Als na een zorgvuldige afweging van alle belangen blijkt dat het verhuisprimaat kan worden opgelegd, is het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding en eventuele aanpassingen in de nieuwe woning voldoende. De verhuiskostenvergoeding is uitgewerkt onder Ad 4. Andere maatregelen.
Zoekgebied
Afhankelijk van de sociale omstandigheden kan van de cliënt worden verwacht dat bij het toepassen van het verhuisprimaat ook buiten de gemeentegrenzen naar een geschikte woning wordt gezocht.
Losse woonvoorzieningen
Onder losse woonvoorzieningen wordt verstaan: woonvoorzieningen die niet nagelvast aan het huis vastzitten en dus verplaatsbaar zijn. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd.
Bij losse woonvoorzieningen geldt het volgende:
Losse voorzieningen zijn vaak algemeen gebruikelijk en voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen.
Alle voorzieningen waarvan de kosten lager zijn dan € 250,00 zijn na verstrekking eigendom van de aanvrager. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en reparatie van deze voorzieningen.
Als de kosten hoger zijn dan € 250,00 is de gemeente verantwoordelijk voor het onderhoud, reparatie en verzekering van de voorzieningen, mits geen sprake is van nalatigheid van de cliënt.
Voor alle maatwerkvoorzieningen, geleverd in de vorm van natura of in de vorm van een pgb is een eigen bijdrage verschuldigd. Als de maatwerkvoorziening gerealiseerd wordt in een woongebouw waarvan de woning van cliënt onderdeel uitmaakt en het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw betreft, is er geen eigen bijdrage verschuldigd.
Bouwkundige woonvoorzieningen
Onder bouwkundige woonvoorzieningen wordt verstaan: de voorzieningen die nagelvast aan het huis zitten.
Voor het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen gelden nog de volgende voorwaarden:
Een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld een woonservicelocatie) dient door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt te worden voor de verhuur aan de doelgroep.
Bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de woningeigenaar ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. Het college kan een voorziening verstrekken voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen. De kosten hiervoor zijn namelijk inherent aan het verstrekken van een voorziening. Wanneer de voorziening niet gekeurd, onderhouden of gerepareerd wordt, is deze immers niet compenserend.
Trapliften worden in bruikleen (natura) verstrekt. Deze zijn her-inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen.
Het aanbrengen van bouwkundige of woon-technische voorzieningen aan de eigen woning vanaf een bedrag van € 5.000,00 wordt beoordeeld op basis van twee of meer offertes.
Voor de offertes wordt uitgegaan van het programma van eisen dat door of namens het college is opgesteld.
De offertes worden in beginsel door de woningeigenaar opgevraagd.
De kostprijs van de woonvoorziening is het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte.
Kosten voor verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo, tenzij het een voorziening betreft die in bruikleen is verstrekt.
Woningsanering
Wanneer sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma of allergie waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan hiervoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Voorwaarde is dat de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning.
Aangetoond dient te worden dat de medische beperkingen ontstonden na het leggen van de vloerbedekking en niet al aanwezig waren ten tijde van het leggen van de vloerbedekking. Alleen als de sanering niet verwijtbaar is kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. De gemeente zal zo nodig een extern medisch advies vragen met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering.
In principe worden alleen de slaapkamer en de woonkamer gesaneerd. Woningsanering op grond van de Wmo 2015 heeft betrekking op overgordijnen in de woonkamer, overgordijnen in de slaapkamer, vitrage woon- en slaapkamer, vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer.
Vloerbedekking vervangen vanwege rolstoel
Als het vanwege het permanente gebruik van een rolstoel nodig is om de vloerbedekking te vervangen gelden dezelfde afschrijvingsregels als bij woningsanering.
Ad 4. Andere maatregelen
Verhuiskostenvergoeding
Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor een verhuizing, dient beoordeeld te worden aan de hand van de individuele situatie van de cliënt. Daarbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de cliënt van belang.
De verhuiskostenvergoeding bedraagt maximaal € 7.500 en is gebaseerd op de verhuiskosten en de inrichtingskosten. De inrichtingskosten zijn gebaseerd op de Nibud-normen voor stoffering.
Als de aanvraag verband houdt met een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning komt cliënt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing.
Verhuiskosten worden toegekend door de gemeente waar de cliënt ten tijde van de aanvraag woont.
Hoofdstuk 3.
Artikel 6.
Algemene criteria
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Maasdriel 2024