In de volgende paragrafen worden de verschillende uitvoeringsstrategieën toegelicht. Hieronder een stroomschema van de uitvoeringsstrategieën onder de Omgevingswet, APV en bijzondere wetten. Dit VTH-beleid betreft het linker deel, de strategieën onder de Omgevingswet.
Figuur 3 Uitvoeringstrategieën Omgevingswet
Preventiestrategie
De gemeenten zetten in op preventie. Met inzet op preventie willen wij risico’s en onwenselijke effecten die ontstaan, wanneer voorschriften niet worden nageleefd, verminderen. Wij willen bewustwording bij inwoners, verenigingen en ondernemers vergroten over de regels en voorschriften die op hen of op hun activiteiten van toepassing zijn. We willen hiermee bereiken dat zij spontaan, uit zichzelf, de regels naleven. Er worden dan minder overtredingen begaan, er is dan minder toezicht nodig en repressieve handhaving hoeft niet of minder toegepast te worden. Dit kan alleen als de regels duidelijk, eenduidig en handhaafbaar zijn. Daarnaast moeten ze voor iedereen bekend zijn. Hieronder geven we aan wat we doen om dit bevorderen.
Handhaafbaarheid van regelgeving
Wetten worden landelijk vastgesteld door de regering. In deze wetten wordt bepaald of er een taak ligt voor een gemeente om deze wetten te handhaven. Wij maken ook zelf regels. Wij doen dit in onze verordeningen (o.a. Algemene Plaatselijke Verordening, Verordening fysieke leefomgeving), in ons beleid (Omgevingsvisie), Omgevingsplan en vergunningvoorschriften (o.a. evenementen, bouw, milieu).
Handhaafbare regels voldoen aan de volgende criteria:
Relevantie;
Eenduidigheid;
Controleerbaarheid.
Regels zijn relevant als ze nodig, actueel en uitvoerbaar zijn. Eenduidige regels zijn niet tegenstrijdig en op één manier uitlegbaar. Wanneer regels zijn gebaseerd op zichtbare en/of meetbare feiten zijn ze controleerbaar. Bij het vaststellen van nieuwe regels toetsen wij hierop. Wij hanteren daarbij de bovenstaande criteria: Zijn de regels relevant, eenduidig en controleerbaar?
Voorlichting en overleg vooraf
Wij gaan er van uit dat inwoners, verenigingen en bedrijven het logisch vinden om de regels na te leven. Dit kan alleen als de regels bekend zijn voor degenen op wie ze van toepassing zijn. Als dit niet het geval is, neemt het risico toe dat overtredingen worden begaan. Wij vinden voorlichting daarom een belangrijk onderdeel van toezicht en handhaving. Wij zetten in op voorlichting over de onderwerpen waar de meeste overtredingen op worden gesignaleerd en/of waarover onduidelijkheid bestaat.
Wij geven in een vroeg stadium voorlichting over vergunning trajecten. Wij gaan actief met de aanvragers van vergunningen in gesprek om nut en noodzaak van de vergunning en de daaraan te verbinden voorwaarden kenbaar te maken en afspraken hierover te maken. Naast voorlichting is communicatie over onze resultaten en het toetsen van de effectiviteit van ons handhavingsbeleid ook onderdeel van deze strategie om spontane naleving te stimuleren.
Vergunningenstrategie
Met vergunningverlening wordt de basis gelegd voor een goede uitvoering door de vergunninghouder. Een goede vergunning stimuleert een goed naleefgedrag en vermindert het aantal noodzakelijke handhavingsacties. Hieronder volgen de uitgangspunten die de gemeenten hanteert bij de behandeling van vergunningaanvragen en de afhandeling van meldingen:
Dienstverlenend: De gemeente heeft dienstverlening hoog in het vaandel. Dit betekent dat de 1Stroom zorgt dat de (potentieel) aanvrager in direct contact staat met de gemeenten. Hiervoor wordt de frontoffice ingezet. Deze zijn verantwoordelijk voor het proces van de aanvraag en voor de communicatie naar de aanvrager.
Positief: 1Stroom behandelt vergunningaanvragen vanuit een positieve blik. 1Stroom zet zich in om een aanvraag samen met de aanvrager te kunnen realiseren. Ofwel, we hanteren een ‘ja, mits’ houding.
Rechtvaardig en gelijkwaardig: 1Stroom hanteert uiteraard een gelijke behandeling voor iedere inwoner. Daarnaast handelt 1Stroom conform wet- en regelgeving. Dit betekent in de praktijk dat de gemeente niet alle aanvragen kan vergunnen.
Verantwoordelijkheid bij inwoners: 1Stroom acht de aanvrager verantwoordelijk voor het indienen van een volledige aanvraag. Echter, dit betekent niet dat 1Stroom zich afzijdig houdt aan de ‘voorkant’. 1Stroom zet zich in om de (potentieel) aanvrager te informeren, begeleiden en faciliteren, zoals met de startvergadering bij de bouw. Dit doen onder andere doordat op de website informatie te vinden is over het indienen van een aanvraag, bij binnenkomst aan de balie en de frontoffice. Daarnaast kan er (online) een afspraak worden gemaakt met een casemanager.
Scheiding van functies
Om de objectiviteit van onze werkzaamheden te waarborgen, hanteren we binnen de gemeente Duiven een strikte scheiding tussen vergunningverlening en toezicht en handhaving. Dit houdt in dat de behandelaar van een vergunningaanvraag geen toezicht houdt op de uitvoering daarvan. Ook bij toezicht en handhaving is er een duidelijke functiescheiding. De toezichthouder die een overtreding constateert, draagt het dossier over aan een jurist voor het opleggen van sancties. We stimuleren wel de samenwerking tussen de verschillende rollen, zodat kennis voldoende wordt gedeeld en de kwaliteit van de gehele VTH-keten gewaarborgd blijft.
Samenwerking ketenpartners
Een goede samenwerking tussen de gemeenten en haar partners is van groot belang voor een effectieve en efficiënte aanpak van vraagstukken in de leefomgeving. Bij sommige aanvragen hebben wij te maken met meerdere bevoegde gezagen. Door de samenwerkende partners elkaar te laten versterken, kan de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving verbeteren. Het bevordert kwalitatief betere adviezen, gebaseerd op gedeelde informatie en uitgangspunten. Om deze reden zoeken wij naar integrale afstemming rondom aanvragen, bijvoorbeeld door middel van de omgevingstafel. Op deze manier kunnen wij als gemeente samen met onze ketenpartners de leefomgeving op een verantwoorde wijze inrichten en beheren. Over samenwerking met ketenpartners kan je meer lezen in bijlage 3.
Werkwijze Vergunningen
Voordat een inwoner of ondernemer een vergunningaanvraag doet voor een omgevingsplan activiteit (afgekort: ‘OPA’), kan er ook gekozen worden om het initiatief samen met de gemeente te bespreken of doorlopen. Dit kan bij 1Stroom op drie manieren. Het “kleine vooroverleg” voor kleine of minder complexe plannen. Voor grotere en complexe plannen zijn er de Intaketafel en de Omgevingstafel. Voordat je naar de Omgevingstafel kan, is er de mogelijkheid om de Intaketafel te doorlopen. In de intaketafel wordt gekeken of het initiatief (vanuit wet en regelgeving bezien) maatschappelijke waarde heeft, bestuurlijk en financieel wenselijk en haalbaar is. Als het initiatief door gaat wordt in de omgevingstafel behandeld. Er worden maximaal 3 Omgevingstafel- bijeenkomsten georganiseerd voor één initiatief. De uitkomst van de Omgevingstafel is een ontvankelijke/complete aanvraag die de initiatiefnemer kan indienen. Dit kan een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit aanvraag zijn of een verzoek tot wijzigen Omgevingsplan. 1Stroom begeleidt initiatiefnemers in dit proces. Dit proces heeft als doel dat wij ook complexere aanvragen binnen de wettelijke termijn van 8 weken te kunnen behandelen. Op de website van de gemeente wordt helder beschreven wat de procedure is voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning.
In sommige gevallen kan er een uitgebreide procedure van 6 maanden van toepassing zijn. In een aantal gevallen is dit wettelijk bepaald (zoals activiteit met m.e.r. plicht). De gevallen daarvoor zijn opgenomen in artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit. Daarnaast kan het college van B&W een uitgebreide procedure van toepassing verklaren als er gegronde redenen voor zijn (art. 16.65 Ow, lid 4). Er zijn ook gevallen dat de aanvrager zelf de uitgebreide procedure kan aanvragen.
Na binnenkomst van de aanvraag, volgen wij standaard werkwijzen op hoofdlijnen, die per type vergunning kunnen verschillen. De processtappen van de standaardwerkwijzen zijn vastgelegd in het VTH-zaaksysteem. Het verloop van de afhandeling van vergunningaanvragen of meldingen wordt in dit systeem bijgehouden. In algemeenheid ziet dit proces er uit zoals hieronder beschreven.
Beschrijving proces vergunningverlening
1Stroom volgt bij de behandeling van een vergunningaanvraag de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure, zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht en het Omgevingsrecht. In algemeenheid ziet dit proces er uit zoals hieronder beschreven.
Tabel 2: Algemene processtappen vergunningverlening
#
Processtap
1
Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag
2
Sturen ontvangstbevestiging
3
Casemanager omgevingsvergunning bepaalt:
Bevoegd gezag;
Uitgebreide of reguliere procedure;
Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen (veelal via frontoffice);
Overzicht bewaken over lopende procedures en de voorgang.
4
De casemanager is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:
Toets volledigheid en ontvankelijkheid;
(Vak)inhoudelijke toets aan relevante beoordelingskaders;
Uitzetten bij interne- en externeadviseurs;
Bewaken van de termijn, om van rechtswege verleende vergunningen te voorkomen;
Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;
Opstellen (concept)beschikking;
Registratie
5
Archiveren beschikkingen (analoog en digitaal).
6
Mogelijk bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening
Boordelingscriteria
Beoordelingscriteria Omgevingswet vergunningen
1Stroom hanteert objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen. De criteria bestaan zowel uit wettelijke bepalingen, als uit lokale beleidsregels en verordeningen. Hieronder een opsomming van de belangrijkste criteria:
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Omgevingsbesluit (Ob)
De Omgevingsregeling
Het invoeringsbesluit (met daarin de bruidsschat)
Omgevingsplan (van rechtswege) Duiven*
Omgevingsvisie Duiven*
Verordening fysieke leefomgeving Duiven
Welstandnota gemeente Duiven 2013
Hemelwaterverordening
Aansluitverordening
Reclamenota ‘Oog voor reclame’ gemeente Duiven;
Afwijkingenbeleid;
* Let op! Omgevingsvisie en Omgevingsplan:
Gemeente Duiven heeft een eigen vastgestelde Omgevingsvisie (2022). Deze kan worden geraadpleegd bij het verlenen van vergunningen. Vanaf 1 januari 2024 zal er gewerkt worden met het Omgevingsplan van rechtswege, totdat het definitieve Omgevingsplan is gemaakt. Dit zal aangroeiend gebeuren. Let bij het verlenen van vergunningen goed op het gebruiken van de juiste versie van het Omgevingsplan (het definitieve (deel)plan of het Omgevingsplan van rechtswege). Hoe de visie en het plan verder aansluit op VTH zie de toelichting beleidscyclus bij figuur 1.
Werkwijze meldingen
Voor meldingen geldt de grondslag van het Bal en Bbl. In tegenstelling tot vergunningaanvragen wordt bij meldingen alleen een beoordeling op volledigheid uitgevoerd. Wanneer de melding niet volledig is, wordt deze niet in behandeling genomen. De melder wordt hiervan op de hoogte gebracht. Meldingen worden via het DSO bij de gemeente ingediend en wij hanteren een risico gestuurde aanpak voor de afhandeling ervan. Als er behoefte is aan inhoudelijk advies wordt dit opgevraagd bij interne adviseurs en/of externe ketenpartners. Milieumeldingen worden geregistreerd en daarna doorgestuurd naar de ODRA.
WKb-meldingen
Met de inwerkingtreding van de Wkb verandert het toezicht op bouwactiviteiten gevolgklasse 1. Gemeente blijft bevoegd gezag en daarmee verantwoordelijk voor het toezicht op vergunningen bouwactiviteiten in gevolgklasse 1, bestaande bouw, bouw- en sloopveiligheid. Bouwtoezicht voor gevolgklasse 1 bouwwerken is vanaf 1 januari 2024 primair belegd bij private kwaliteitsborgers. Er werd voorheen voor gevolgklasse 1 een preventieve toetsing van het bouwplan uitgevoerd. Deze is vervangen door toetsing en toezicht door kwaliteitsborgers op het bouwwerk zelf. Er zijn wel vaste momenten in het proces ingebouwd waarin de initiatiefnemer verantwoording moet afleggen aan de gemeente over de naleving van de bouwtechnische voorschriften. Dit gaat in de vorm van meldingen. Dit zijn de melding bouwactiviteit, melding start van de bouw, de gereedmelding en melding einde bouwwerkzaamheden. In de basis gaan wij hiermee hetzelfde om als met de overige meldingen, door deze risico-gestuurd op te pakken. Als er lokaal gebonden risico’s zijn, dan worden deze gecontroleerd in het borgingsplan.
Brandveilig gebruik
Onder de Omgevingswet is de gebruiksvergunning vervallen, maar geldt voor bepaalde gebouwen nog wel een meldingsplicht. In artikel 6.6 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een tabel opgenomen waarin per gebruiksfunctie is aangegeven vanaf welk aantal mogelijk aanwezige personen sprake is van een meldingsplicht voor brandveilig gebruik van het bouwwerk.
Op grond van artikel 6.7 Bbl moet de gebruiksmelding 4 weken voor het begin van het gebruik worden gedaan. In artikel 6.8 staan de gegevens en bescheiden die moeten worden ingediend.
De melding brandveilig gebruik wordt in zijn geheel afgehandeld door de VGGM. De gemeente wordt achteraf op de hoogte gebracht van de afgehandelde meldingen.
Meldingen sloop en asbestverwijdering
De melding sloop met asbest wordt net als normale sloop afgehandeld door 1Stroom. Toezicht op de bedrijfsmatige verwijdering van asbest is een (milieu)taak die de ODRA uitvoert. Het toezicht op de fysieke sloop (na verwijdering asbest) is een taak waarvoor de gemeenten nog steeds verantwoordelijk zijn. Dit betreft met name een controle op het daadwerkelijk slopen van het pand en de administratieve verwerking van gegevens in de gemeentelijk systemen. Indien een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is wordt gecontroleerd of conform dit plan gewerkt wordt. Toezicht op basis van de sloopmelding zonder asbest vindt enkel plaats bij volledige sloop in het kader van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).
Proces sloopmelding: Met betrekking tot meldingsplicht sloopwerkzaamheden uit het Bbl is het verplicht om minimaal 4 (bij uitzondering 1 week) voor het begin van de sloopwerkzaamheden de sloopactiviteit te melden bij het bevoegd gezag (artikel 7.10 van het Bbl). Vervolgens moet uiterlijk 2 werkdagen voor aanvang en 1 dag na afronding van de feitelijke sloopwerkzaamheden het bevoegd gezag daarover geïnformeerd worden (artikel 7.12 van het Bbl).
Toezichtstrategie
Onder toezicht wordt verstaan het controleren of de wettelijke bepalingen worden nageleefd. Toezicht is grofweg in te delen in twee soorten. Toezicht op de naleving en opsporing. Toezicht op de naleving zijn werkzaamheden die door de gemeenten worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd. Opsporing bestaat uit werkzaamheden ter vaststelling of een strafbaar feit is gepleegd op basis van een redelijk vermoeden dat dit het geval is. Het onderscheid tussen deze twee vormen wordt ook weleens aangeduid met structureel of reactief toezicht.
Het toezicht op de vergunningen en meldingen, de thematische controle tijdens de gebruiksfase en projectmatig toezicht op de bestaande voorraad en surveillance vallen onder toezicht op de naleving.
Toezicht aan de hand van klachten en incidentmeldingen, niet-routinematig toezicht, kan zowel onder toezicht op de naleving als onder opsporing vallen. Dit is afhankelijk van de aard en de inhoud van de klacht of incidentmelding. Over het algemeen valt toezicht dat plaats vindt aan de hand van klachten en incidentmeldingen binnen het omgevingsrecht onder toezicht op de naleving.
Een toezichthouder heeft naast het houden van toezicht op zijn of haar eigen beleidsterrein ook een signalerende functie. Zo kunnen toezichthouders ook de ogen en oren zijn voor andere specialismen en kunnen zij indien noodzakelijk een signaal afgeven als zij een overtreding constateren dat buiten hun eigen specialisme valt.
Omdat we niet overal tegelijkertijd kunnen zijn werken wij risico-gestuurd. Aan de hand van een risicoanalyse (zie bijlage 1) wordt een activiteit een prioriteit gegeven van hoog naar laag. De prioriteit van een activiteit bepaalt namelijk de wijze waarop aan toezicht uitvoering wordt gegeven.
De toezichthouders registeren de controlezaken in RX. Mission en de digitale toezicht- handhavingstool Op Pad. Dit softwarepakket is nog in ontwikkeling, wat datasturing op dit taakveld tot op heden lastig maakt. In onderstaande paragraaf worden de verschillende gehanteerde toezichtsvormen beschreven.
Welke soorten toezicht zijn er?
Wij hanteren de volgende toezichtvormen:
Toezicht op vergunningen en meldingen
Hieronder valt toezicht op verleende omgevingsvergunningen tijdens de uitvoeringsfase. Qua diepgang van de beoordeling volgen we voor de activiteit bouwen de risicomatrix van de vereniging Bouw- en Woningtoezicht (BWT). Deze bevat een risicoanalyse en prioritering. Hieruit blijkt of toezicht nodig is en op welke momenten in het bouwproces.
Thematisch/projectmatig toezicht
Als er vanuit bestuurlijke wensen of calamiteiten bepaalde thema’s, objecten en/of gebieden een hoge prioriteit krijgen en projectmatig opgepakt worden, dan werken wij dit uit in het jaarverslag en zo nodig in het uitvoeringsprogramma.
Toezicht o.b.v. klachten of meldingen
Schriftelijke verzoeken om handhaving die voldoen aan het bepaalde in de Algemene Wet bestuursrecht handelen we in principe conform de hiervoor geldende regels af. Bij de afhandeling van de verzoeken om handhaving en klachten zijn de in dit beleidsplan genoemde prioriteiten in de handhaving leidend. Ook speelt het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid veel meer bij de burgers en de bedrijven ligt een belangrijke rol bij de afweging van de beslissing op de klacht en het verzoek. Dit betekent dat de gemeente zich niet bij elke klacht/verzoek geroepen zal voelen om op te treden maar de verantwoordelijkheid voor het oplossen hiervan bij de burger en het bedrijf zal leggen. Waar mogelijk moedigen wij een traject via (buurt)bemiddeling aan. Op anonieme meldingen wordt in beginsel niet gereageerd.
(integraal) Signaaltoezicht
Toezicht waarbij een toezichthouder een signaal doorgeeft als de geconstateerde overtreding buiten zijn expertise valt, heet signaaltoezicht. Door deze manier van werken aan te houden beogen wij een integrale koppeling van de verschillende VTH-taken in de openbare ruimte en de bouw- en milieutaken. Signaaltoezicht is een overkoepelende vorm van toezicht en kan worden toepast bij elk van de hierboven beschreven vormen van toezicht.
Hoe wordt toezicht voorbereid?
1Stroom draagt zorg voor de kwaliteit van de uitvoering van toezicht en zorgt ervoor dat de controles door toezichthouders op een uniforme wijze worden uitgevoerd. Dit is onder andere mogelijk door een goede voorbereiding. Voordat een toezichtcontrole wordt uitgevoerd, beoordeelt en verzamelt de toezichthouder altijd eerst de relevante documenten bij een casus. Als toezicht plaatsvindt naar aanleiding van een vergunning zijn deze documenten samengevoegd in een dossier en terug te vinden in het VTH-systeem RX.Mission. De volledigheidstoets op de stukken is in dat geval al gedaan door vergunningverlening. Uitgezonderd hiervan zijn de documenten die aangeleverd worden tijdens de uitvoering. Als een toezichtzaak nieuw binnenkomt maakt de toezichthouder dit dossier aan door alle relevante documenten te verzamelen. Vervolgens beoordeelt de toezichthouder de stukken op volledigheid. Afhankelijk van de toegekende prioriteit (zie hoofdstuk 3 en bijlage 1) worden ook de vergunningsvoorwaarden doorgenomen. Indien gewenst wordt intern eerst een overleg gehouden tussen verschillende afdelingen alvorens een toezichtcontrole wordt uitgevoerd.
Hoe wordt toezicht gerapporteerd?
Zaakrapportage
Om de uitvoering te kunnen monitoren moeten alle zaken geregistreerd worden. De gegevens in de zaakrapportage leveren informatie over het effect van de handelingen die de gemeenten uitvoeren op het naleefgedrag van wet- en regelgeving. Als een activiteit niet het gewenst effect oplevert vormt dit input om de interventiestrategie aan te passen. Op die manier draagt zaakrapportage op langer termijn bij aan de strategievorming.
De doorlopen stappen, de genomen beslissingen en verdere relevante documenten worden daarom door de toezichthouders opgeslagen in de daarvoor bevoelde applicaties. De volgende gegevens worden geregistreerd:
Uitgevoerde (her)controles;
Geconstateerde overtredingen;
Opgelegde bestuurlijke sancties;
Processen verbaal;
Verzoeken tot handhaving; en
Klachten of meldingen over mogelijke overtredingen waar actie op is ondernomen.
Communicatie van de rapportage
Wij delen het controlerapport niet actief met betrokkenen en maken het alleen openbaar op verzoek van belanghebbenden of in het kader van juridische procedures. Persoonlijke gegevens van derden en/of toezichthouders anonimiseren wij daarbij.
Prioriteit
De prioriteit van een activiteit bepaalt de wijze waarop aan beide vormen van toezicht uitvoering wordt gegeven. Zo controleren wij intensiever bij toezichttaken met een hoge prioriteit en dus een hoger risico, dan bij taken met een lage prioriteit. Hierbij willen benadrukken dat klachten zich niet laten plannen. Wel kunnen wij op basis van de prioritering bepalen hoe wij reageren op de klacht. Daarnaast ruimen wij tijd in de jaarplanning voor de afhandeling van klachten. In bijlage 1 geeft overzicht van welke onderwerpen het meest en minst risicovol zijn en in welke mate deze prioriteit hebben.
Toezicht op omgevingsvergunningen; Omgevingsplanactiviteit (OPA):
Wij houden toezicht op de uitvoering van werkzaamheden (gebruik, reclame, kap, slopen, etc.) waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Dit gebeurt door middel van controles tijdens de uitvoeringsfase van werken waarin wordt gewaarborgd dat onder andere een ruimtelijke en cultuurhistorische basiskwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving wordt bereikt.
Structureel
Omgevingsvergunningen voor een monument en reclame controleren wij op het voldoen aan de voorschriften;
Omgevingsvergunningen voor een monument, reclame en uitrit controleren wij op het voldoen aan de voorschriften;
Locaties waar vergunningen geweigerd/buiten behandeling zijn gelaten controleren wij op eventuele illegale bouw;
Locaties waar OPA’s binnenplans en buitenplans (BOPA) waar er voorwaarden gesteld zijn;
Tijdelijke vergunning controleren wij na afloop van de instandhoudingtermijn.
Reactief
Toezicht en handhaving op basis van klachten en meldingen gerelateerd aan (het ontbreken van) een omgevingsvergunning.
Toezicht op de omgevingsvergunning voor de Bouwactiviteit
Wij houden toezicht op de uitvoering van werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor de Bouwactiviteit noodzakelijk is (gevolgklasse 2 en 3). Dit gebeurt door tijdens de uitvoeringsfase van werken door controles te waarborgen dat o.a. een bouwkundige, (brand)veilige, milieukundige basiskwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving wordt bereikt.
Structureel
Omgevingsvergunningen voor bouwwerkzaamheden controleren wij tijdens de bouw. Nadruk bij deze controles zijn naleving van de vergunningvoorschriften voor de omgevingsplanactiviteit;
Locaties waar vergunningen geweigerd/buiten behandeling zijn gelaten controleren wij op eventuele illegale bouw; en
Tijdelijke vergunning controleren wij na afloop van de instandhoudingtermijn.
Reactief
Toezicht en handhaving op basis van klachten en meldingen gerelateerd aan (het ontbreken van) een omgevingsvergunning.
(Alle) Meldingen:
Melding wordt inhoudelijk beoordeeld, is sprake van:
Acuut gevaar voor veiligheid en/of gezondheidsrisico, dan wordt toezicht direct opgepakt en is er contact met de melder;
Geen acuut gevaar, maar wel prioriteit, dan wordt de controle binnen een week ingepland. De planning wordt aan de melder aangegeven; of
Geen acuut gevaar en geen prioriteit dan wordt de melding enkel opgepakt als hier (eventueel door een opstapeling van soortgelijke meldingen) aanleiding toe is. Dit wordt dat projectmatig opgepakt.
Handhavingsstrategie/sanctiestrategie
Als bevoegd gezag om handhavend op te treden geldt de beginselplicht tot handhaven. Uitgangspunt daarin is de overtreding weg te nemen en/of om herhaling in de toekomst te voorkomen. Handhaven is maatwerk. Per overtreding maken wij daarom een gedegen afweging. De gestelde prioritering uit de risicoanalyse bepaald wanneer wij handhavend optreden. Op welke wijze wij handhavend optreden bepalen wij aan de hand van de landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (hierna: LHSO). Deze strategie dient het doel om een uniforme toepassing van sancties te borgen door passend te interveniëren bij iedere bevinding. De handhaver kan hiermee de overtreding in een/de interventiematrix van het LHSO plaatsen en behorende bij die positionering handelen. Zo is de LHSO vooral een afwegingsinstrument voor uitvoerders in handhaving. Door de LHSO te volgen kan worden gekomen tot onderling afgestemd en effectief handelen van de handhavingspartners (politie , Openbaar Ministerie en ODRA)1Dit is ook de reden waarom de LHSO – evenals haar voorgangster – niet als recht in de zin van artikel 79 RO kan worden beschouwd (zie onder meer HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:436 en Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:640). Uit rechtspraak vloeit voort dat op het openbaar ministerie niet de verplichting rust om in individuele, concrete gevallen te motiveren waarom de omstandigheden van die zaak het OM tot afwijking van de LHSO deden besluiten.. Aangezien de gemeenten een voorbeeldfunctie heeft naar hun inwoners en bedrijven toe, geldt bovenstaande werkwijze in het bijzonder voor overtredingen gemaakt door de eigen organisatie of medeoverheden.
Handhaving i.r.t de Wet kwaliteitsborging
Tijdens de bouw van een project waar de Wkb geldt, kunnen er handhavingsverzoeken worden gedaan door omwonenden of de kwaliteitsborger doet een melding waar een strijdigheid is gevonden met het Bbl. In dit geval geldt prioriteit en het proportionaliteitsbeginsel. Voor het bepalen van proportionaliteit kan je rekening houden met de volgende aspecten:
Jurisprudentie
Er is sprake van een klein verschil
Het verschil is niet of nauwelijks met het blote oog waarneembaar
Derden worden niet in hun belangen geschaad
Het ongedaan maken van de overtreding brengt buitenproportioneel hoge kosten met zich mee of zou onevenredig zijn jegens de overtreder.
Gedoogstrategie
Gedogen betekent dat een instantie die de wettelijke bevoegdheid heeft om op te treden tegen een overtreding, er toch voor kiest om niet op te treden. Voor de gemeenten is het uitgangspunt om wel op te treden, en het gedogen van overtredingen is daarom een uitzondering. Wij gedogen alleen in de volgende situaties:
In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als:
Handhaving zou leiden tot onbillijkheid (bijvoorbeeld overmacht, overgangssituatie, zicht op legalisatie, tijdelijke overtreding, experiment, disproportionaliteit, nieuwe wet- en regelgeving) .
Het belang dat beschermd moet worden duidelijk beter gediend is met gedogen (rekening houdend met andere belangen).
Gedogen moet zoveel mogelijk worden beperkt in omvang en/of tijd.
Er moet sprake zijn van een zorgvuldige, kenbare belangenafweging.
Gedogen moet aan controle worden onderworpen.
Hiermee wordt de strategie gevolgd uit de nota “Grenzen aan gedogen” vastgesteld door het kabinet in 1996 en welke nog steeds actueel is. Tevens wordt deze nota ook gevolgd door de ODRA, waarbij dezelfde gedoogstrategie wordt gehanteerd en er zo min mogelijk rechtsongelijkheid ontstaat.
De gemeente streeft ernaar om het gedogen zo veel mogelijk te beperken. Dit betekent dat er altijd een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen het belang van handhaving en het belang van gedogen. Als er toch wordt besloten om te gedogen, dan moet dit goed worden gemotiveerd en er moet controle plaatsvinden om te voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt van deze uitzondering.
WKB
Gereedmelding bij gefaseerde ingebruikname
Bij grotere woningbouwprojecten worden woningen veelal in delen opgeleverd. Tussen de oplevering en bewoning van de eerste woningen en de oplevering van de laatste woningen kan een geruime tijd zitten. Door stichting instituut bouwkwaliteit 2019 (IBK) is een factsheet uitgebracht waarin verschillende mogelijkheden worden beschreven hoe gemeenten daar onder de werking van de Wkb mee om kunnen gaan.
De volgende opties worden geschetst:
Indien er geen signalen van de kwaliteitsborger of derden zijn en geen eigen waarnemingen dat er mogelijk iets niet klopt, de formele gereedmelding afwachten en in de tussentijd niet handhaven op ingebruikname.
Uitgaan van de onder punt 1 genoemde optie en indien daar reden toe is op basis van artikel 2.20 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullend informatie opvragen over een specifiek onderdeel bij de oplevering van iedere fase (deellevering).
Richting opdrachtgever van tevoren aangeven dat het uitgangspunt is dat twee weken voor iedere fase een volledige gereedmelding wordt gedaan. In dat geval moet dan eerder ook per fase een bouwmelding zijn gedaan.
Het is van belang om vooraf duidelijk vast te leggen welke optie er wordt gekozen en die vooraf duidelijk te communiceren. Per optie zal de impact anders zijn op de keuzes en afwegingen die gemaakt moeten worden in onze bedrijfsvoering. Vanuit implementatieondersteuning wordt optie 3 als meest wenselijk aangegeven.
Casco bouw
In de praktijk worden bouwwerken nogal eens casco opgeleverd, bijvoorbeeld zonder badkamer of keuken. Hoe gaan we daarmee om? Helpdesk bouwregels (helpdeskbouwregels.nl) van de Rijksoverheid beantwoordt deze vraag als volgt:
“Juridische kader: Ingebruikname zonder gereedmelding is niet toegestaan (zie ook hiervoor). In geval van een cascolevering zullen delen van het bouwwerk niet klaar zijn. Indien dit delen betreft die op grond van de voorschriften van het Bbl verplicht zijn dan zal een kwaliteitsborger geen verklaring kunnen afgeven bij oplevering en is gereedmelding dus niet mogelijk.
Praktische uitwerking: Dit probleem zal met name spelen daar waar de aannemer de opdrachtgever van de kwaliteitsborger is, zoals bij de waarborginstellingen. Indien de opdracht van de kwaliteitsborger niet verder strekt dan de oplevering, dan zijn er twee mogelijkheden om alsnog te zorgen voor een verklaring zodat gereed gemeld kan worden.
De opdrachtgever kan zelf een aanvullende opdracht aan de kwaliteitsborger geven om de laatste openstaande punten af te ronden.
De kwaliteitsborger kan een “verklaring” afgeven dat het bouwwerk met uitzondering van de cascopunten voldoet. De opdrachtgever kan dan met een eigen kwaliteitsborger de resterende punten afronden.
Aangezien casco en semi-casco regelmatig voorkomt bij woningbouw – de bewoner bouwt zelf zijn badkamer af bijvoorbeeld – is het voor bouwers en kwaliteitsborgers zaak om opdrachtgever goed te informeren over de consequenties. Overigens gebeurt dit nu ook al in het kader van het Keurmerk Stichting Garantiewoning: bij casco worden zaken uitgesloten van garantie. In veel gevallen zal de opdrachtgever zijn bouwwerk in gebruik hebben genomen voordat de laatste cascopunten zijn opgelost. Het bevoegd gezag kan – indien duidelijk is dat de cascopunten zijn belegd bij een (nieuwe) kwaliteitsborger – ook hierbij gebruik maken van zicht op legalisatie en dus afzien van handhaven.”