Graven in de bodem
Bij het graven in de bodem wordt geen onderscheid gemaakt tussen graven boven en onder de grondwaterstand. Ook de aanwezigheid van een verontreiniging in het grondwater vormt geen bezwaar om gebruik te maken van de activiteiten graven in de bodem onder of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (Bal) of kleinschalig graven (omgevingsplan; minder dan 25m3 grondverzet).
Als er dieper dan het grondwaterniveau gegraven wordt, kan sprake zijn van graven ‘in den natte’ (zonder geforceerde bemaling) of van graven ‘in den droge’ (met geforceerde bemaling / open put bemaling al dan niet met drains of onttrekkingsfilters).
Als sprake is van graven ‘in den natte’ zal ook in het geval van (de nabijheid van) een grondwaterverontreiniging, het verspreiden van de verontreiniging via het grondwater meestal beperkt zijn.
Als sprake is van graven ‘in den droge’ en er dus sprake is van bemaling om de grondwaterstand te verlagen, kunnen de effecten op een aanwezige verontreiniging groter zijn. Het onttrekken van grondwater bij graven is een wateractiviteit met afzonderlijke regels, die zijn vastgelegd in de waterschapsverordening. Het waterschap houdt bij de beoordeling van de onttrekking rekening met de gevolgen voor de grondwaterkwaliteit door het in beweging komen van bestaande bodemverontreinigingen.
Bij graven in een bodemkwaliteit waarbij overschrijding is geconstateerd van de interventiewaarde (vaste bodem) is sprake van een erkenningsplicht voor de uitvoering (BRL SIKB 7000) en milieukundige begeleiding, onderdeel processturing (BRL SIKB 6000) waardoor extra kwaliteitsborging plaatsvindt op het zorgvuldig graven en de omgang met het grondwater.
De specifieke zorgplicht van het Bal (of bij kleinschalig graven de specifieke zorgplicht van het omgevingsplan) is van toepassing. Indien dit naar het oordeel van gemeente of provincie noodzakelijk is, kunnen voor het graven alsnog maatwerkregels Bal (of regels in het omgevingsplan) of maatwerkvoorschriften worden vastgesteld om negatieve gevolgen voor de grondwaterkwaliteit te voorkomen (met name voorkoming van verspreiding van grondwaterverontreiniging), bijvoorbeeld in gebieden met kwel of in de directe nabijheid van een grondwaterwinning.
Indien op grond van het bodemonderzoek bij graven een vermoeden bestaat dat sprake is van een nog onbekende verontreiniging van meer dan 6000m3, geeft de omgevingsdienst dit door aan de provincie. Doorgaans zal uit het onderzoek bij de activiteit graven niet blijken wat de omvang van de verontreiniging in het grondwater is en of deze meer is dan 6000m3. In zulke situaties zullen provincie en gemeente (omgevingsdienst) moeten afstemmen hoe hiermee in de praktijk wordt omgegaan. Ook zullen provincie en gemeente eventuele maatregelen afstemmen om het verspreidingsrisico weg te nemen.
Saneren van de bodem bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw
Het Rijk stelt regels over bodemsanering in het Bal. Grondwatersanering is hiervan uitgezonderd. Het gaat dus om het saneren van de vaste bodem (de grond). De gemeente is hiervoor het bevoegd gezag (behoudens uitzonderingen, zoals bij een complex bedrijf). De Omgevingsdienst NZKG voert de taken van het bevoegd gezag uit namens de gemeente.
In het omgevingsplan is bepaald dat sanering van de bodem aan de orde is bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (bijvoorbeeld een woning met tuin) als de vaste bodem in bepaalde mate verontreinigd is. Bij het saneren van de bodem kan ook sprake zijn van verontreinigd grondwater.
De regels dienen om schade aan de gezondheid te voorkomen. De sanering wordt uitgevoerd conform de regels in paragraaf 4.121 Bal. Als de sanering onder het overgangsrecht valt, kan de sanering onder het regime van de Wet bodembescherming plaatsvinden, zolang een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als met een sanering conform het Bal.
Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw kan een nieuwe grondwaterverontreiniging worden aangetroffen. Hoofdregel is dat een nieuwe verontreiniging zo spoedig mogelijk door de veroorzaker wordt verwijderd. Als de veroorzaker van de verontreiniging (niet zijnde de eigenaar of initiatiefnemer) niet te achterhalen is, kan gebruik worden gemaakt van de saneringsregels in paragraaf 4.121 Bal.
Het kan zijn dat de verontreiniging pas bij het bouwen aan het licht komt en zich (mogelijk) tevens buiten het bouwperceel bevindt. Als door de verontreiniging ook gezondheidsrisico’s op buurpercelen aanwezig zijn, bieden de regels in de Omgevingswet over de toevalsvondst uitkomst. Zie onder het kopje Toevalsvondst bodem en toevalsvondst grondwater en paragraaf 10.2 van dit beleidskader.
Eventuele gezondheidsrisico’s door uitdamping vanuit de bodem worden zoveel mogelijk weggenomen door een verontreiniging met vluchtige stoffen volledig uit de vaste bodem te verwijderen. Als volledige verwijdering redelijkerwijs niet haalbaar is, of als er nog uitdamping vanuit het grondwater plaatsvindt, dan moeten aanvullend maatregelen tegen uitdamping worden genomen. Zo worden ook eventuele risico’s door uitdamping vanuit het grondwater weggenomen.
De provincie heeft informatieplichten voor zowel de gemeente als de saneerder opgenomen in de omgevingsverordening bij het aantreffen van een nog onbekende grote verontreiniging (meer dan 6000m3) in het grondwater. Er zijn geen regels gesteld over een grondwatersanering. Als er grondwaterverontreiniging met een bronzone in de vaste bodem en een pluim in het grondwater wordt aangetroffen, zijn dus zowel de gemeente als de provincie in beeld. Doorgaans zal uit het onderzoek bij de activiteit saneren niet blijken wat de omvang van de verontreiniging in het grondwater is en of deze meer is dan 6000m3. In zulke situaties moeten provincie en omgevingsdienst met elkaar afstemmen hoe ze hiermee in de praktijk omgaan. Ook zullen provincie en gemeente eventuele maatregelen om het verspreidingsrisico weg te nemen met elkaar moeten afstemmen.
Bij saneren kan sprake zijn van bemaling (onttrekking van grondwater). Het waterschap houdt bij de beoordeling van de onttrekking rekening met de gevolgen voor de grondwaterkwaliteit door het in beweging komen van bestaande bodemverontreinigingen.
Zie ook Bijlage 7 van dit beleidskader voor de aanpak van historische (veroorzaakt voor 1987) en nieuwe grondwaterverontreinigingen in diverse situaties.
Hoofdstuk 11
Artikel 11.2
Omgaan met grondwaterverontreiniging bij graven en saneren
Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen