Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.5

Standaardaanpakken

Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen

Het Bal kent twee standaardaanpakken om de bodem geschikt te maken voor de (toekomstige) functie: Standaardaanpak afdekken van de verontreiniging De saneringsaanpak afdekken is het aanbrengen van een afdeklaag die voorkomt dat mensen worden blootgesteld aan verontreiniging op of in de bodem bij het dagelijks gebruik van de bodem. De afdeklaag bestaat uit: Een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag; of Een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter en met een kwaliteit in overeenstemming met de toepassingseis voor de locatie. Dit wordt ook wel aangeduid als leeflaag. Duurzaam aaneengesloten verhardingslaag Aan een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt in ieder geval voldaan als de verhardingslaag bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, stelconplaten of bestrating met klinkers of tegels. Hiermee wordt de verontreiniging zodanig geïsoleerd, dat er geen blootstelling aan de verontreinigingen mogelijk is. Bij verhardingsconstructies met stelconplaten of bestrating met klinkers of tegels moeten het aaneengesloten oppervlakten van deze materialen zijn om te kunnen spreken van een duurzame afdeklaag. Leeflaag Bij het aanbrengen van een leeflaag wordt standaard een minimale dikte van 1,0 meter voorgeschreven. Een dikte van minder dan 1,0 meter kan, als daar steekhoudende argumenten voor zijn, in een maatwerkvoorschrift worden toegestaan. Zo kan bijvoorbeeld in laaggelegen polders, waar het grondwater reikt tot enkele decimeters onder het bestaande maaiveld, in een maatwerkvoorschrift een minimumdikte van 0,50 meter worden toegestaan. Het is vanuit milieuhygiënisch oogpunt natuurlijk altijd toegestaan om een dikkere laag dan de standaarddikte aan te brengen. Zie verder paragraaf 4.6. De kwaliteitseis voor de leeflaag en aanvulgrond in de contactzone is gelijkgetrokken met de toepassingseis voor de locatie, die volgt uit de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie (zie Tabel 4.1 en tevens Tabel 6.1 in hoofdstuk 6 van dit beleidskader). Onder de leeflaag, tussen de grond in de leeflaag en de onderliggende verontreinigde bodem, wordt als regel een signaallaag aangebracht, om te waarschuwen voor de verontreiniging die zich onder de leeflaag bevindt. Aan de aard van de signaallaag zijn geen specifieke eisen gesteld. Er moet echter wel naar gestreefd worden om deze signaallaag met natuurlijke materialen (zo min mogelijk plastics) aan te leggen, bijvoorbeeld met wit zand. Als de leeflaag visueel sterk afwijkt van de onderliggende bodem is een signaallaag overbodig. Het is in principe niet toegestaan om bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt na 1986) te kiezen voor de saneringsaanpak afdekken. Het uitgangspunt is immers om een nieuwe verontreiniging zoveel mogelijk te verwijderen. Met een maatwerkvoorschrift kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als de eigenaar van de locatie niet de veroorzaker is (bijvoorbeeld bij dumping van drugsafval). Een melding van de kwaliteit van de grond die wordt gebruikt als afdeklaag of aanvulgrond, vindt plaats bij de MBA toepassen. Herschikken bij saneren Onder herschikken wordt verstaan het verplaatsen van verontreinigde grond van het ene deel van de saneringslocatie naar een ander deel van diezelfde saneringslocatie. Er kan bijvoorbeeld op de ene plaats grond wordt weggegraven (bijvoorbeeld voor de aanleg van een leeflaag), terwijl op een andere plaats binnen de locatie juist weer ruimte is om onder de afdeklaag grond kwijt te kunnen. Herschikken is alleen toegestaan op dat deel van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht, om te voorkomen dat bij toekomstig gebruik contactmogelijkheden ontstaan met de verontreinigde grond die is herschikt. Herschikken mag niet leiden tot vermindering van de bodemkwaliteit. Het stand-still-beginsel24Het stand-still-beginsel houdt in dat de bodemkwaliteit als gevolg van menselijk handelen niet mag verslechteren. geldt bij saneren op stofniveau, behalve voor stoffen binnen de oudstedelijke ophooglaag. Grond verontreinigd met mobiele25Een stof is mobiel als uit grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters, zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden overschreden. stoffen boven de interventiewaarde mag niet worden herschikt onder een afdeklaag. Tevens mag grond verontreinigd met PFAS niet worden herschikt onder een afdeklaag als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie): Herschikken mag niet leiden 59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS. tot verontreiniging van de leeflaag. Standaardaanpak verwijderen van de verontreiniging Verwijderen van de verontreiniging van de bodem vindt plaats door het ontgraven van verontreinigde grond, al dan niet met het onttrekken van grondwater voor het verlagen van de grondwaterstand ter plaatse. Te realiseren bodemkwaliteit Ontgraving vindt plaats tot het concentratieniveau voor stoffen in de bodem, dat met de sanering moet worden gerealiseerd. Als bijvoorbeeld alleen zink boven het concentratieniveau zit, vindt alleen voor zink afgraving plaats tot het juiste kwaliteitsniveau. De te realiseren concentratieniveaus vloeien voort uit de terugsaneerwaarden. Deze komen overeen met de toepassingseisen voor grond die van elders wordt aangevoerd (zie Tabel 6.1 van dit beleidskader), maar staan ter volledigheid ook genoemd in Tabel 4.1. De bodemkwaliteit die met de sanering wordt gerealiseerd, is dus per gebied verschillend en wordt bepaald door de zone waarin de locatie ligt en de bodemfunctieklasse die aan het gebied is toegekend. Combinaties van verwijderen en afdekken Het staat de initiatiefnemer vrij om te kiezen welke standaardaanpak hij toepast, behalve op locaties waar de saneringsaanpak verwijderen is voorgeschreven met het oog op verwijderen van mobiele bronnen in de vaste bodem. Een combinatie van beide saneringsaanpakken is ook mogelijk (op het ene terreindeel de verontreiniging verwijderen, op het andere deel afdekken met bijvoorbeeld een leeflaag). Tabel 4.1Terugsaneerwaarden binnen de gemeente Diemen Bodemfunctieklasse Landbouw/natuur Wonen Industrie Nadere aanduiding BKK-zone Landbouw, natuur, moestuinen/ volkstuinen Woningen met tuin School/kinderdagverblijf met buitenruimte Overige woonfuncties (o.a. winkels) Bebouwing (o.a. woning zonder tuin, bedrijfsgebouw) 1 Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur 2 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Wonen 3 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Industrie Openbare weg Nader te bepalen Niet gezoneerde gebieden Nader te bepalen (onderzoek en dubbele toets) Saneringsaanpak bij vluchtige stoffen in de bodem bij bouwen bodemgevoelig gebouw Vluchtige stoffen zijn bijvoorbeeld vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen) en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, die zowel in de vaste bodem als in het grondwater kunnen voorkomen. Als uit het bodemonderzoek bij de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw blijkt dat sprake is van vluchtige stoffen > Interventiewaarde, dan moet gekozen worden voor de saneringsaanpak verwijderen. De initiatiefnemer kan met een berekening (module ConCrit, ontwikkeld door het RIVM voor bepaling van de risico’s bij gevoelig gebruik van de bodem zoals wonen met tuin: RisicotoolboxBodem.nl) aantonen dat de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL-waarde, in μg per m3 lucht zoals opgenomen bijlage XIIIb van het Bkl) niet wordt overschreden. Als dit het geval is, dan kan de initiatiefnemer met een maatwerkvoorschrift toestemming vragen om van de saneringsaanpak verwijderen te mogen afzien. Wordt de TCL-waarde echter overschreden, dan is bronverwijdering verplicht. Indien verwijdering (redelijkerwijs) niet (geheel) mogelijk is, bijvoorbeeld door fysieke beletsels in de bodem of wanneer de verontreiniging op grote diepte zit, kan het nodig zijn om maatregelen te nemen om risico’s te voorkomen, die het gevolg zijn van blootstelling aan uitdamping van vluchtige stoffen of verbindingen vanuit de vaste bodem en het grondwater. Voorbeelden van maatregelen die kunnen worden getroffen om risico’s als gevolg van blootstelling te voorkomen: Aanbrengen van voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw; of Aanbrengen van een dampdichte laag. Deze maatregelen worden vastgelegd in een maatwerkvoorschrift, dat bij het Kadaster wordt geregistreerd. Ter controle worden binnenluchtmetingen uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek naar de binnenluchtkwaliteit worden getoetst aan de TCL-waarde, De resultaten van het binnenluchtonderzoek zijn onderdeel van het evaluatieverslag.

Rechtspraak bij dit artikel