Het Nederlandse polderlandschap bestaat uit een stelsel van polders waar via bemaling de waterstand door de waterschappen op een afgesproken peil wordt gehouden. Om de afvoercapaciteit van deze sloten en watergangen op peil te houden worden deze eens in de 5-10 jaar uitgebaggerd. Het uitgebaggerde materiaal is door afkalven, afspoeling en intrappen (door vee) in de sloten en watergangen terecht gekomen en wordt al eeuwenlang op de direct aan de sloten en watergangen grenzende percelen aangebracht.
Bevoegd gezag
De gemeente, Waternet, Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap en – in specifieke gevallen – ook particulieren hebben allen een baggeropgave. In de Legger staan onderhoudsplichtigen en/of onderhoudsverplichtingen. De Legger markeert ook de grenzen waar de bevoegdheid van de gemeente ligt en waar die van de waterbeheerder. Deze regels over onderhoud gaan na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet naar de waterschapsverordening en blijven gewoon gelden.
Voor verspreiden of toepassen van baggerspecie op landbodem binnen de gemeentegrenzen is de gemeente Diemen het bevoegd gezag en geldt dit beleidskader.
Voor verspreiden of toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater is de waterbeheerder het bevoegd gezag. In de gemeente Diemen is dit het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
Ontvangstplicht bij verspreiden op aan de watergang grenzende percelen
Vanwege het belang van het onderhoud van het watersysteem zijn eigenaren (en andere rechthebbenden) van percelen die aan watergangen grenzen, verplicht om de vrijkomende baggerspecie uit deze watergangen op hun perceel te ontvangen (artikel 10.3 lid 2 en 3 Omgevingswet). Waterschappen zullen bij voorkeur gebruik maken van deze verplichting, maar in sommige gevallen is verspreiding ongewenst of onmogelijk omdat het perceel dat aan de watergang grenst bedoeld is voor woondoeleinden. In die gevallen vergroot de afstandsmaat van 10 km voor percelen met een agrarische bestemming de mogelijkheden voor het waterschap om op vrijwillige basis met terreineigenaren binnen het poldergebied te zoeken naar een geschikte bestemming voor de baggerspecie.
Als bagger wordt gebruikt bij de aanleg van nieuwe kades of het creëren van nieuwe landbodem, is geen sprake van ‘verspreiden’ en gelden de algemene regels voor toepassen (niet zijnde verspreiden) van de MBA Toepassen.
Verschil tussen ‘verspreiden’ en ‘toepassen’ van baggerspecie
Voor het verwerken van toepasbare baggerspecie biedt het Bal twee verschillende toetsingskaders, beiden vallend onder de MBA Toepassen:
Verspreiden van baggerspecie:
In oppervlaktewater;
Over het aan de watergang grenzende perceel (op de kant of in een weilanddepot). Hierbij is er sprake van acceptatieplicht op basis van de msPAF-toets. Er hoeft niet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem te worden getoetst;
Over een perceel (of in een weilanddepot) met een agrarische bestemming tot een afstand van 10 km vanaf de watergang.
Toepassen van baggerspecie (wanneer geen sprake is van het toetsingskader verspreiden):
Als grootschalige bodemtoepassing;
In oppervlaktewater;
Op landbodem.
Kwaliteitseisen bij verspreiden van baggerspecie
De meeste vrijkomende baggerspecie voldoet niet voor alle parameters aan de kwaliteitseisen voor de bodemfunctie landbouw/natuur. Dat zou beperkingen voor hergebruik van baggerspecie met zich meebrengen, waardoor de baggerspecie niet kan worden verspreid in de nabijheid van de plaats waar zij vrijkomt. Vanwege de noodzaak van de baggerwerkzaamheden en met het oog op de circulaire economie en klimaatadaptatie is dit onwenselijk. Daarom zijn voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem specifieke normen afgeleid. Deze zijn gericht op mengseltoxiciteit. Hiervoor geldt een specifieke toetsing, gebaseerd op de zogeheten msPAF-toets (meerdere stoffen, Potentieel Aangetaste Fractie), die rekening houdt met milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De kwaliteitseisen geven dus een totaalbeoordeling van de kwaliteit van het mengsel in verhouding tot de risico’s. Hierin is rekening gehouden met de ruimte die boven de kwaliteitseisen voor de functie landbouw/natuur nog aanwezig is om minder strenge kwaliteitseisen te stellen zonder dat dit ertoe leidt dat de bodem niet meer voor de landbouw geschikt is als gevolg van onacceptabele risico’s voor de kwaliteit van de producten of de gezondheid van het vee.
Baggerspecie mag verspreid worden over aan de watergang grenzende percelen, in weilanddepots op aan de watergang grenzende percelen en op landbouwpercelen tot maximaal 10 km afstand. Voorwaarde is dat de kwaliteit van de baggerspecie eerst wordt vastgesteld.
Zie voor de normen Tabel 3b, Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2022. De bagger mag pas worden verspreid als de uitkomst ‘verspreidbaar’ luidt. Deze kwaliteitseisen worden aangeduid als ‘kwaliteit voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’. De kwaliteitseisen zijn verschillend al naar gelang de baggerspecie wordt verspreid (al dan niet door middel van een weilanddepot) op de landbodem of in een oppervlaktewaterlichaam (waarbij onderscheid is tussen zoet en zout oppervlaktewaterlichaam). De kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ betreft geen kwaliteitsklasse. Dit is van belang vanwege het verbod om baggerspecie van verschillende kwaliteitsklassen met elkaar te vermengen.
In het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) worden de volgende kwaliteitsklassen voor waterbodem en baggerspecie onderscheiden:
De kwaliteitseisen zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022 op grond van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd). De reden daarvan is dat voor baggerspecie van de kwaliteit ‘voor verspreiden geschikt’ een milieuverklaring nodig is waaruit blijkt dat de baggerspecie voldoet aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen. De afgifte van de milieuverklaring vindt plaats op grond van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) door een onderneming met een erkenning. Voor de afgifte van een milieuverklaring wordt getoetst aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden geschikte baggerspecie’ die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2022. Dit neemt niet weg dat de baggerspecie bij het toepassen altijd aan de kwaliteitseisen moet voldoen, ongeacht of daar een (eventueel ten onrechte afgegeven) milieuverklaring bij zit.
Bij het verspreiden van baggerspecie hoeft alleen aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteit ‘voor verspreiden op de landbodem geschikte baggerspecie’ te worden getoetst en niet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse en bodemfunctieklasse waarin de ontvangende bodem is ingedeeld.
Op de landbodem mag baggerspecie afkomstig uit een oppervlaktewaterlichaam dat behoort tot de regionale wateren op landbouwgronden worden verspreid tot hoogstens 10 km afstand van de plaats van vrijkomen.
Op landbouwgronden mag in beginsel uitsluitend ‘voor verspreiden geschikte baggerspecie’ worden verspreid. Voor verspreiden op landbouwgronden gelden de kwaliteitseisen voor ‘verspreiden geschikte baggerspecie’ in plaats van de kwaliteitseisen die op grond van artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving (landbouw/natuur, wonen en industrie) zijn gesteld. Dit is een gevolg van het feit dat de kwaliteitseisen voor de bodemfunctie ‘landbouw/natuur’ zijn gebaseerd op de achtergrondwaarden in onbelaste gebieden in Nederland en het voor het imago van landbouwproducten wenselijk is dat landbouwgewassen op een ‘bodem van kwaliteit landbouw/natuur’ worden geteeld.
Weilanddepots
Voor het verspreiden van baggerspecie op landbouwgrond om de bodemgesteldheid te verbeteren wordt vaak gebruik gemaakt van een weilanddepot. Dit depot is geen tijdelijke opslag als bedoeld in de MBA ‘Opslaan van grond of baggerspecie’ in het Bal, maar een voorziening ten behoeve van de definitieve toepassing van de baggerspecie. Het weilanddepot wordt gezien als een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie ter ontwatering en rijping op een perceel grenzend aan de watergang waaruit de specie komt en voorkomt dat de opgebrachte baggerspecie, vanwege de hoeveelheid vocht in de baggerspecie, wegvloeit van het perceel waar het is opgebracht en zo de sloten van dat perceel weer vult. Bij een weilanddepot wordt van de bouwvoor een kade gemaakt waarbinnen de baggerspecie wordt ingebracht. De baggerspecie wordt toegepast onder het regime voor verspreiden van baggerspecie op de landbodem. In een weilanddepot hoeven geen bodembeschermende voorzieningen te worden aangebracht. Nadat de baggerspecie is gerijpt en ingedroogd worden de kades door de baggerspecie geploegd en wordt het perceel weer voor agrarische doeleinden ingezet.
Het aanleggen van een weilanddepot op een perceel met een agrarische bestemming kan onder de Omgevingswet tot een afstand van 10 km vanaf de watergang (onder de oude regelgeving alleen op het aan de watergang grenzende perceel). In een natuurgebied is het echter alleen mogelijk op een aan de watergang gelegen perceel een weilanddepot op te richten.
Wordt de baggerspecie op een niet aan de watergang grenzend perceel opgeslagen dat géén landbouwgrond is, dan valt de opslag onder de MBA Opslaan van grond of baggerspecie. Het daarna op de bodem aanbrengen wordt in dat geval beschouwd als toepassen op de landbodem onder de MBA Toepassen van grond of baggerspecie. Baggerspecie elders aanbrengen mag alleen volgens de regels en kwaliteitseisen die voor het toepassen van grond gelden.
Begrippen ‘aan de watergang grenzend perceel’ en ‘watergang’
In het Aanvullingsbesluit bodem worden de begrippen ‘aan de watergang grenzend perceel’ en ‘watergang’ genoemd zonder een maximale afstand te noemen. Omdat de mogelijkheid tot verspreiden niet meer beperkt is tot het aan de watergang grenzende perceel, maar ook mogelijk is op landbouwpercelen op een afstand van maximaal 10 kilometer van de locatie waarvan de baggerspecie afkomstig is, lijkt de vraag wat precies als aangrenzend perceel moet worden beschouwd minder relevant.
Echter, wanneer geen sprake is van een landbouwperceel blijkt toch de noodzaak deze begrippen concreet te maken. De gemeente Diemen doet dit als volgt:
Aan de watergang grenzend perceel: Perceel met minimaal één zijde grenzend aan een watergang waar zich de baggerhandeling voordoet. Percelen die door een weg, pad, smalle grondstrook of ander werk van de watergang zijn gescheiden, worden toch als ‘aan de watergang grenzend’ beschouwd;
Watergang: Een fysiek afgebakende watergang (met dammen, stuwen, gemalen enzovoort), dan wel uitmondend in een ander type watergang (vaart, boezem, wetering, kanalen, plassen enzovoort). Een bij elkaar horend stelsel van gelijke watergangen, direct grenzend aan de baggerlocatie, wordt ook als ‘aangrenzende watergang’ beschouwd, zoals een stelsel van sloten binnen hetzelfde peilgebied.
Toepassen (gerijpte) baggerspecie op landbodem
Gerijpte baggerspecie wordt beschouwd als grond, waarvoor de regels voor toepassen (niet zijnde verspreiden) van de MBA toepassen van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gelden. Zie verder paragraaf 6.5 van dit beleidskader.
Verspreiden van baggerspecie met PFOS/PFOA
Het verspreiden of het voorafgaand aan verspreiden tijdelijk opslaan in een weilanddepot van (onderhouds)baggerspecie met PFOS en PFOA op het aangrenzend perceel is in alle gevallen aanvullend op de msPAF-toets toegestaan tot een maximum gehalte van 3 µg/kg d.s. voor PFOS en 7 µg/kg d.s. voor PFOA, mits er geen direct contact (ook ná zetting) met het grondwater plaatsvindt, dan wel invloed naar kwetsbare objecten aan de orde is.
Zie voor meer informatie de Beleidsregel PFAS van de gemeente Diemen 2018 [Lit. 15].
Hoofdstuk 6
Artikel 6.9
Verspreiden van baggerspecie
Onderdeel van Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen