Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Beleidskader: Algemeen

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Cranendonck

Onderstaand wordt omschreven wanneer er sprake is van een handelshoeveelheid drugs, wanneer sprake is van voorbereidingshandelingen, wat de evenredigheidstoets inhoudt, welke bestuursrechtelijke maatregelen ingezet kunnen worden, wat de afwijkingsbevoegdheid inhoudt, wanneer sprake is van een ernstig geval en wat het onderscheid tussen woningen en lokalen is. 4.1 Handelshoeveelheid drugs Onderstaand wordt weergegeven welke hoeveelheden worden aangemerkt als een gebruikershoeveelheid. Als onderstaande hoeveelheden worden overschreden, is er sprake van een handelshoeveelheid. Harddrugs Onderstaande hoeveelheden harddrugs worden volgens de Aanwijzing aangemerkt als een hoeveelheid voor eigen gebruik: Maximaal 0,5 gram (zoals bijvoorbeeld in grammen uitgedrukte hoeveelheden cocaïne, heroïne, amfetamine (speed), MDMA (XTC) of een andere stof van lijst I, of; Maximaal 1 bolletje / 1 ampul / 1 wikkel / 1 tablet/pil (in elk geval een aangetroffen hoeveelheid van maximaal 0,5 gram), of; Maximaal 5 milliliter (zoals bijvoorbeeld in milliliters uitgedrukte hoeveelheden GHB of andere stof van lijst I). Softdrugs Onderstaande hoeveelheden softdrugs worden volgens de Aanwijzing aangemerkt als een hoeveelheid voor eigen gebruik: Maximaal 5 planten, of; Maximaal 5 gram. Aan lijst II bij de Opiumwet (softdrugs) is sinds 1 januari 2023 ook ‘lachgas’ toegevoegd. Het is verboden om lachgas voor recreatief gebruik binnen Nederland te vervoeren, te verkopen, te produceren of in bezit te hebben. Volgens het Openbaar Ministerie wordt 1 ampul/1 ballon aangemerkt als een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Als bovenstaande hoeveelheden worden overschreden, is sprake van een handelshoeveelheid drugs. Bij een handelshoeveelheid drugs mag in beginsel worden aangenomen dat de drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Slaagt de betrokkene daar niet in, dan is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet, bevoegd om ten aanzien van de woning/het lokaal en/of bijbehorend erf een last onder bestuursdwang op te leggen. 4.2 Voorbereidingshandelingen Als in een woning of een lokaal of een daarbij behorend erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn die op zichzelf legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om harddrugs of softdrugs te produceren, is sprake van voorbereidingshandelingen. De volgende artikelen zijn van toepassing: artikel 13b, eerste lid, onder b, artikel 10a (harddrugs) en artikel 11a (softdrugs) van de Opiumwet. De aangetroffen voorwerpen en/of stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Voor de mate van professionaliteit van een hennepkwekerij kunnen de factoren zoals genoemd in bijlage 1 van de Aanwijzing worden toegepast. Uit de rechtspraak volgt dat het niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en/of voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van een drugsproductiepunt. Ook als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn (ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617). Voor het bestaan van de bevoegdheid is niet vereist dat de betrokkene zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden behoeft te hebben dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs (ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523). 4.3 Gebruikmaken van de bevoegdheid (evenredigheidstoets) De burgemeester dient per geval te beoordelen of van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet gebruik wordt gemaakt. Dit is de zogeheten evenredigheidstoets, waarbij het volgende moet worden beoordeeld: Is de maatregel noodzakelijk om de doelen zoals genoemd in deze beleidsregel te bereiken? Is de maatregel evenwichtig, oftewel niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende? Voor de invulling van deze criteria wordt aangesloten bij de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) en de daaropvolgende Harderwijk-uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285). Noodzakelijkheid De burgemeester moet aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding beoordelen of sluiting van een woning/lokaal en/of bijbehorend erf noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Evenredigheid Als de burgemeester de sluiting van een woning/lokaal en/of bijbehorend erf noodzakelijk acht, moet hij/zij ook beoordelen of een sluiting evenredig is. Bij de beoordeling van de evenredigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning/het lokaal en de mogelijkheid om na de sluiting weer van de woning/het lokaal gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de noodzaak van de sluiting. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding. 4.4 Last onder bestuursdwang (sluiting), last onder dwangsom of waarschuwing Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Een last onder bestuursdwang houdt in dit geval een besluit tot sluiting van een lokaal/woning/erf in. In bepaalde gevallen kan worden gekozen voor de toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In de artikelen 5:31 en 4:11, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn de procedureregels opgenomen die gevolgd moeten worden als tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt overgegaan. Artikel 5:32 van de Awb regelt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven kan een last onder dwangsom, vanuit het oogpunt van evenredigheid, meer op zijn plaats zijn. Daarnaast is de burgemeester bevoegd een waarschuwing af te geven. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat in algemene zin bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Op grond van de rechtspraak dient in ieder geval bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikshoeveelheden drugs te worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing kan worden volstaan (zie ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738). 4.5Afwijkingsbevoegdheid In beginsel wordt er overeenkomstig deze beleidsregel opgetreden. De burgemeester kan op basis van betrokken feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van deze beleidsregel op grond van artikel 4:84 Awb. Dit betekent dat in bepaalde situaties zowel strengere als minder strenge maatregelen kunnen worden getroffen dan in deze beleidsregel is opgenomen. 4.6 Ernstige gevallen Bij een ernstig geval is volgens deze beleidsregel de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als aannemelijk kan worden gemaakt dat één of meer van de navolgende indicatoren van toepassing is/zijn, waarbij geen sprake is van een limitatieve opsomming: Er is sprake van een handelshoeveelheid harddrugs en/of softdrugs; Indien naast de handelshoeveelheid drugs attributen worden aangetroffen die te relateren zijn aan drughandel, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, versnijdingsmiddel, grote sommen contant geld en/of wapens; Indien sprake is van drugshandel met betrokkenheid van minderjarige(n); De mate waarin de woning/het lokaal betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. Dit kan onder andere blijken uit politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen van omwonenden of betrokkenen, (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht; Indien sprake is van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom of er sprake is van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning/het lokaal. Bij gerelateerde feiten kan gedacht worden aan het aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan; Indien sprake is van recidive; De mate van gevaarzetting of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n); Indien sprake is van een bedrijfsmatig karakter/professionele inrichting van een hennepkwekerij of productiepunt voor harddrugs. Denk hierbij aan illegale stroom-aftap, aanwezige hennep-/drugsresten van een productie, aanwezigheid van precursoren, preprecursoren, IBC’s en randapparatuur voor het in stand houden en onderhouden van de hennepkwekerij of het productiepunt. 4.7 Onderscheid tussen woningen en lokalen In deze beleidsregel wordt voor de toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen woningen en al dan niet voor het publiek openstaande lokalen. De sluiting van een woning kan gevolgen hebben die een inmenging kunnen vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Laatstgenoemd recht is niet in het geding bij lokalen. De duur van de sluiting is bij een lokaal langer dan bij een woning. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een koopwoning of een (sociale) huurwoning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel