De werkzaamheden moeten qua tijd en uitvoeringswijze zodanig worden gepland dat de bereikbaarheid van woningen, bedrijven, winkels en overige gebouwen (verder: objecten) voor (mindervalide) voetgangers, (brom)fietsers, gemotoriseerd (bestemmings)verkeer,hulp- en afvalophaaldiensten en busvervoer in overleg met de betrokkenen altijd zo veel mogelijk in stand gehouden wordt. Dit geldt ook in doodlopende straten of openbare woonerven.
Verder geldt:
voor een (gedeeltelijke) wegafzetting met een wegdoorgang van minder dan 3,5 meter, moet een toetsingsformulier zoals omschreven in deel A, artikel 2.1, lid onderdeel LL., zes werkweken voor aanvang van de werkzaamheden via het digitaal registratiesysteem (www.moorwerkt.nl) worden ingediend;
een weg mag in principe maar aan één kant worden afgesloten;
er moet altijd minimaal één rijstrook beschikbaar zijn;
indien het onvermijdelijk is dat een weg toch volledig afgesloten moet worden moet de grondroerder ten minste zes werkweken voor aanvang van de werkzaamheden een toetsingsformulier zoals omschreven in deel A, artikel 2.1, onderdeel LL., ter goedkeuring voor leggen aan de gemeente en de afsluiting af stemmen met de coördinator. Na goedkeuring van het verkeers-, werk-, en tijdsplan worden de hulpdiensten en de OV- en buurtbusdiensten ten minste vier werkweken voor aanvang van de werkzaamheden geïnformeerd door de gemeente over de wegafsluiting. De vooraankondigingsborden moeten een werkweek van tevoren aan beide zijden van de af te sluiten weg door de grondroerder geplaatst worden. Bewoners en/of bedrijven moeten twee weken voor aanvang van de werkzaamheden op de hoogte worden gebracht van de werkzaamheden;
brandkranen, afsluiters van water, gas en dergelijke en bovengrondse voorzieningen van andere netbeheerders moeten altijd zichtbaar en toegankelijk blijven;
de minimale doorrijbreedte voor hulpvoertuigen is 3,50 m en de minimale doorrijhoogte voor hulpvoertuigen is 4,50 m en dient altijd gewaarborgd te zijn;
opstelplaats(en) van voertuigen van hulpdiensten en het te nadere object dient conform het vigerende Bouwbesluit een afstand te hebben van maximaal 40 meter of minder.
Bij de toegang en (nood)uitgang naar objecten dient een goede toegankelijkheid geboden worden voor voetgangers, inclusief (brom)fietsen die aan de hand meegevoerd worden en mindervalide voetgangers die vaak worden begeleid door hulpmiddelen zoals rollators, rolstoelen en scootmobielen. Hierbij is het toepassen van stevige en goed zichtbare loopplanken een minimale vereiste. De loopplanken dienen vlak en aansluitend aan elkaar geplaatst en in stand gehouden te worden.
Indien een beperking van de bereikbaarheid onvermijdelijk is en tot gevolg heeft dat:
de hulp- en afvalophaaldiensten objecten niet voldoende kunnen naderen;
de bevoorrading van winkels en bedrijven anders dan normaal moet worden geregeld;
met belanghebbenden geen overeenstemming kan worden bereikt over de beperking van de bereikbaarheid,
dient de grondroerder minimaal zes werkweken vooraf te overleggen met de toezichthouder zodat tijdig afspraken gemaakt kunnen worden om de juiste maatregelen te nemen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Bereikbaarheid aangrenzende gebouwen
Onderdeel van Handboek Kabels en Leidingen 2024