Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.1

Tracé-inspectie t.b.v. de aanleg van kabels en/of leidingen

Onderdeel van Handboek Kabels en Leidingen 2024

De grondroerder inspecteert vooraf het beoogde tracé waarop de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd worden en onderzoekt of de werkzaamheden (verkeers-)technisch uitvoerbaar zijn voor de aanwezige wegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, spoorwegen, (waterkerende) dijken, overige kabels en/of leidingen, bomen, wegmeubilair, taluds en gebouwen. De grondroerder moet bij de aanvraag van het instemmingsbesluit of de vergunning de gemeente ervan overtuigen (bijvoorbeeld met een dwarsprofiel met daarin aangegeven de bestaande kabels en/of leidingen en het gewenste ruimtebeslag voor de aanleg van de nieuwe kabels en/of leidingen) dat er voldoende ruimte is voor de juiste ondergrondse ordening. De tracétekening, (artikel 7, eerste lid, onder h. van de Verordening), die bij de aanvraag van het instemmingsbesluit of de vergunning wordt gevoegd, moet voldoen aan de richtlijnen zoals vermeld in bijlage 10.3 van dit handboek. Om er zeker van te zijn dat er voldoende ruimte is in de ondergrond voor de aanleg van kabels en/of leidingen is het raadzaam dat de grondroerder al in de engineeringsfase inventariseert welke overige netbeheerders belangen hebben in het beoogde tracé. Indien nodig en zinvol kunnen die overige netbeheerders dan in een vroegtijdig stadium geïnformeerd worden over de voorgenomen werkzaamheden en er kan onderzoek gedaan worden naar de aard en ligging van deze kabels en/of leidingen van de overige netbeheerders. Daartoe kan de grondroerder bijvoorbeeld een oriëntatieverzoek doen bij het Kadaster- sectie Klic en/of proefsleuven maken. De grondroerder en de overige netbeheerders kunnen zo nodig nadere afspraken maken over bijvoorbeeld de ongestoorde ligging van ieders kabels en/of leidingen. De grondroerder inventariseert zelf of er, behalve het instemmingsbesluit of de vergunning, een omgevingsvergunning noodzakelijk is voor bijvoorbeeld het verrichten van werkzaamheden in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarde , het kappen van bomen, het oprichten/plaatsen van bovengrondse voorzieningen, bouwketen of portakabins, materiaalcontainers, parkeren van voertuigen enzovoort. Ook moet de grondroerder alle voor het werk benodigde vergunningen, ontheffingen enzovoort die noodzakelijk zijn vanuit de Algemene plaatselijke verordening (APV) en/of de Omgevingswet aanvragen. Vóór aanvulling en verdichting van de kabels en leidingensleuf moet de toezichthouder tijdig op de hoogte worden gebracht. De toezichthouder kan indien gewenst een controle op de ligging uitvoeren. Eventuele (stagnatie)kosten kunnen niet worden verrekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel