Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden, bedoeld in artikel 2, eerste lid (woonruimte), artikel 3, eerste lid (verblijfsruimte), artikel 5 of artikel 12, derde lid, van de wet of de op basis van artikel 8, eerste tot en met derde lid van de wet aan een verhuurvergunning verbonden voorwaarden.
De in het vorige lid bedoelde boete bedraagt voor overtreding van een aan een verhuurvergunning verbonden voorwaarde en voor overtreding van het verbod bedoeld in artikel 2 ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, genoemd in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht.
In afwijking van het tweede lid bedraagt de in het tweede lid bedoelde boete bij recidive voor overtreding van een aan een verhuurvergunning verbonden voorwaarde en voor overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 2 ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, genoemd in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht.
Van recidive als bedoeld in het derde lid is sprake, als binnen vier jaar voorafgaand aan de constatering die leidt tot het opleggen van de in het eerste en derde lid bedoelde boete, een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid en 3, eerste lid, en artikel 12, derde lid, van de wet, de op basis van artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de wet aan een verhuurvergunning verbonden voorwaarden of het handelen in strijd met de regels van goed verhuurderschap als bedoeld in artikel 2 van de wet.