Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Wettelijk kader

Onderdeel van Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet

Lid 1 Algemeen De Omgevingswet kent een stelsel van normen ter voorkoming van hinder vanwege weg- en railverkeer en vanwege industrieterreinen met een geluidproductieplafond (GPP). Deze geluidbronsoorten vielen voorheen onder de Wet geluidhinder. Ter bescherming van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige gebouwen (verder te noemen: geluidgevoelige gebouwen) is voor deze geluidsbronnen een standaardwaarde opgenomen. Wanneer nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied worden gerealiseerd, een nieuwe weg wordt aangelegd, een bestaande weg wordt gereconstrueerd of wanneer er wijzigingen plaatsvinden aan een industrieterrein met een GPP, mag de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige gebouwen in beginsel niet meer bedragen dan de standaardwaarde. De standaardwaarde staat gelijk aan voldoende kwaliteit voor een gezonde leefomgeving. Nu kan een bepaalde locatie een hogere geluidbelasting hebben dan de standaardwaarde terwijl andere factoren voor die locatie juist heel gunstig zijn. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om deze factoren mee te laten wegen. In het gebied waar niet meer wordt voldaan aan de standaardwaarde, maar waar de geluidbelasting nog juist binnen de grenswaarde is, kan onder voorwaarden een hogere geluidbelasting worden toegelaten. Bijvoorbeeld wanneer er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen, de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveelmogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Het bevoegd gezag beoordeelt de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting bij ruimtelijke plannen. Criteria hiervoor zijn vastgelegd in voorliggende beleidsregel op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen binnen een omgevingsplan kunnen worden toegelaten. Met de komst van de Omgevingswet verbetert de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Gemeenten kunnen geluid vanwege verkeer en industrie beter beheersen doordat de veranderingen ten opzichte van een eerdere situatie worden gemonitord. Lid 2 Geluidaandachtsgebieden Omgevingswet Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met GPP waarbinnen de standaardwaarde mogelijk overschreden wordt. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. De geluidaandachtsgebieden zijn als fysiek geografisch gebied vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor de periode waarin dit nog niet is gebeurd, is er een overgangssituatie. De werkwijze hiervoor staat beschreven in bijlage 1 van dit document. Voorafgaand aan het toelaten van elke nieuwe ontwikkeling dient te worden nagegaan of deze zich in één of meerdere geluidaandachtsgebieden bevindt. In tegenstelling tot het begrip geluidszone is de reikwijdte van een geluidaandachtsgebied afhankelijk van de geluidsemissie van de bron en niet van het aantal rijstroken, zoals onder de Wet geluidhinder het geval was. Lid 3 Geluidgevoelige gebouwen De geluidbelasting wordt beoordeeld ter plaatse van de gevels van woningen en andere geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw: met een woonfunctie; met een onderwijsfunctie; voor kinderopvang met bedden; voor gezondheidszorg met bedden. Ook een woonwagen is een geluidgevoelig gebouw. Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden echter niet op de gevel van een woonwagen, maar op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonwagen. De ruimtes in een woonwagen zijn geen geluidgevoelige ruimtes. De waarden en eisen in de instructieregels voor het bereiken van een aanvaardbaar geluid gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar toegelaten is. De instructieregels gelden dus niet voor tijdelijke bouwwerken. Lid 4 Standaardwaarden en grenswaarden Het bevoegd gezag past de instructieregels toe bij het vaststellen van een omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Er moet altijd worden gestreefd naar een geluidbelasting die ‘voldoet aan de standaardwaarde’ (ondergrens). De standaardwaarden gelden als algemeen geaccepteerd geluidniveau. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen- of buitenstedelijk gebied. De standaardwaarde en grenswaarde per geluidsbronsoort zijn aangegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1 Standaardwaarde en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Grenswaarde Provinciale wegen Rijkswegen 50 Lden 60 Lden Gemeentewegen Waterschapswegen 53 Lden 70 Lden Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen 55 Lden 65 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight 55 Lden 45 Lnight In de Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw kan toegestaan7 als: er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen zijn overwogen die financieel doelmatig zijn en er tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; het gecumuleerd geluid is beoordeeld; het gezamenlijke geluid is bepaald; het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen is betrokken. Met andere woorden: wanneer door of na het treffen van geluidreducerende maatregelen, die niet bezwaarlijk zijn, de standaardwaarde nog steeds wordt overschreden, kan geluid tot en met de grenswaarde onder voorwaarden bij een nieuwe geluidgevoelig gebouw worden toegestaan. De voorwaarden van de geluidbeperkende maatregelen zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Uitzonderingen op hoogte grenswaarde Uitzonderingen op de bovenstaande grenswaarden vormen: ‘vervangende nieuwbouw’ Bij vervangende nieuwbouw worden bestaande geluidgevoelige gebouwen van relatief slechte kwaliteit vervangen door nieuwe geluidgevoelige gebouwen die een betere geluidwering krijgen die is afgestemd op het geluid buiten en daardoor meer woonkwaliteit bieden. In deze situatie mag de grenswaarde worden overschreden. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: Een wezenlijke toename van het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet. De grenswaarde wordt met niet meer dan 5 dB overschreden. ‘functiewijziging’ toelaten geluidgevoelig gebouw door wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand gebouw dat geen geluidgevoelig gebouw is. Hierbij geldt de volgende voorwaarde: De grenswaarde wordt met niet meer van 5 dB overschreden. Hoger dan de grenswaarde Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw met een geluidbelasting op de gevel die hoger is dan de grenswaarde, kan alleen als: aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die: bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Lid 5 Geluidluwe gevel Het belang van een geluidluwe gevel dient te worden betrokken bij overschrijding van de standaardwaarde. De definitie van een geluidluwe gevel luidt: gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. Het afwegingskader voor de geluidluwe gevel is opgenomen in paragraaf 4.3. Lid 6 Niet-geluidgevoelige gevel (met bouwkundig maatregelen) Niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen In de Omgevingswet blijft de ‘dove gevel’ min of meer vergelijkbaar bestaan, hoewel de term veranderd is naar ‘niet-geluidgevoelige gevel’. Het verschil is dat in een niet-geluidgevoelige gevel wel ‘te openen delen‘ mogelijk zijn, zolang deze delen met een bouwkundige constructie zodanig worden afgeschermd dat de grenswaarde ter plaatse van de te openen delen niet wordt overschreden. Tevens mag onder de Omgevingswet een gemeenschappelijke doorgang aanwezig zijn, bijvoorbeeld een toegangsdeur van een appartementengebouw of een vluchtdeur. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is een gevel die 2 typen maatregelen kan hebben: een te openen delen; Maatregelen waarmee het geluid op de te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte, niet hoger is dan de grenswaarde. Gevels, die nog onder de Wet geluidhinder als ‘dove gevel’ zijn geborgd in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en nog niet zijn gerealiseerd, hoeven niet als bouwkundige constructie zonder te openen delen conform art. 1 B, lid 4 van de Wet geluidhinder te worden gebouwd, maar kunnen worden beschouwd als ‘niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen’. Niet-geluidgevoelige gevel Een niet-geluidgevoelige gevel is een gevel die na een belangenafweging in het omgevingsplan de aanduiding ‘niet-geluidgevoelige gevel met maatregelen’ krijgt. Een niet-geluidgevoelige gevel kan alleen worden toegepast als het onvermijdelijk is. Dat kan bij zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen. En waar het ook niet mogelijk is om maatregelen te nemen zodat wordt voldaan aan de grenswaarde. Bij een niet-geluidgevoelige gevel (als bedoeld in bijlage I bij het Bkl) wordt bij het vaststellen van benodigde geluidwering van die gevel uitgegaan van het gezamenlijke geluid op die gevel, verhoogd met 3 dB’3. Lid 7 Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Indien de standaardwaarde voor een geluidbronsoort wordt overschreden, dient de gecumuleerde geluidbelasting en de gezamenlijke geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw te worden bepaald. Gecumuleerd geluid wordt gebruikt voor de afweging van de aanvaardbaarheid. Hierbij wordt rekening gehouden met de hinderlijkheid van geluid (gewogen geluid) van verschillende geluidbronsoorten meegenomen. De Omgevingsregeling regelt het hinderequivalent bij het optellen van geluid. De aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid moet worden beoordeeld als: een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten in een omgevingsplan; er sprake is van de aanleg van een weg, spoorweg of industrieterrein; er sprake is van wijziging van een weg of spoorweg die een toename van geluid veroorzaakt. Het is daarbij van belang of het geluidgevoelig gebouw zich binnen het geluidaandachtsgebied van de betreffende geluidbronsoort bevindt. Het gezamenlijk geluid (niet-gewogen) wordt gebruikt voor de beoordeling van het binnenniveau, dan wel het bepalen van de eisen aan de geluidwering van een geluidgevoelig gebouw. Ook hierbij wordt rekening gehouden met het geluid van verschillende geluidbronsoorten. Lid 8 Geluidwering van de gevel Voor toetsing aan de geluidwering van de gevel van geluidgevoelige gebouwen, dus ook bij ‘functiewijziging’ als genoemd in paragraaf 2.4, dient uitgegaan te worden van het gezamenlijk geluid. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw legt het bevoegd gezag de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor de BOPA vast15. In combinatie met de binnenwaarde kunnen initiatiefnemer en bevoegd gezag dan bij de aanvraag van de bouwactiviteit de benodigde geluidwering16 van die gevel bepalen. De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is niet kleiner dan het verschil tussen het gezamenlijke geluid en 33 dB (of 35 dB(A) bij activiteiten).

Rechtspraak bij dit artikel