Bij het vaststellen van de draagkracht in het inkomen geldt het volgende:
Voor het inkomen boven 115% van de toepasselijke bijstandsnorm geldt een draagkrachtpercentage van 50%.
Bij een vast inkomen is het toetsinkomen het ontvangen inkomen voorafgaand aan de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
Bij wisselende inkomsten is het toetsinkomen de som van het inkomen over 3 maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
Uitgesteld inkomen zoals vakantietoeslag en het individueel keuzebudget (IKB) wordt toegerekend aan de periode waarin dit is verworven. Doorbetaald inkomen wordt toegerekend naar de periode waarin dit is ontvangen.
Op het vastgestelde inkomen wordt in mindering gebracht:
de verplichte inhoudingen op het inkomen van de aanvrager genoemd in artikel 31 lid 3 van de wet;
de vrijlatingen genoemd in artikel 31 lid 2 van de wet;
de vrijlating van de ontvangst van een periodieke particuliere oudedagsvoorziening zoals genoemd in artikel 33 lid 5 van de wet.
blijvende woonkosten, voor zover deze in verhouding tot het inkomen en vermogen een te zware last vormen.
betalingen voor levensonderhoud van kinderen tot 21 jaar en echtgenoot die niet bij de aanvrager wonen en alimentatie voor een de ex-echtgenoot.
de studietoeslag op grond van artikel 36b van de wet.
Eigen bijdragen worden voor het vaststellen van de draagkracht niet in mindering gebracht op het inkomen. Voorbeelden hiervan zijn:
eigen bijdragen in het kader van de Zorgverzekeringswet;
eigen bijdragen Wmo;
ouderbijdrage Kinderopvang.
Ligt er beslag op het inkomen, dan wordt dit gedeelte van het inkomen niet meegeteld bij het vaststellen van het inkomen. Wel geldt dan de voorwaarde dat de aanvrager een beroep doet op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Bij personen die zijn toegelaten tot een Msnp- of een Wsnp- of schuldhulp-verleningstraject houdt het college rekening met de schuld. Het deel van het inkomen dat hoger is dan de beslagvrije voet én aantoonbaar wordt gebruikt voor aflossing van schulden, telt niet mee bij het vaststellen van het inkomen. Hetzelfde geldt voor de periode die voorafgaat aan het treffen van een Msnp- of Wsnp- of schuldhulpverleningstraject.
Bij gelijkblijvende omstandigheden is het niet nodig om jaarlijks opnieuw het vrij te laten bedrag (VTLB) voor vaste lasten en levensonderhoud vast te stellen voor personen die een Msnp- of Wsnp-traject volgen, tenzij de bewindvoerder een nieuwe VTLB berekening maakt.
Hoofdstuk 2.
Artikel 5.
Draagkracht inkomen
Onderdeel van Besluit bijzondere bijstand gemeente Smallingerland 2024