Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van de baatbelasting herinrichting centrum Heerenveen

In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 10 jaren. Het verzoek genoemd in de eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag schriftelijk bij de ambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet te worden ingediend. Het belastingjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december. De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal verschuldigde, berekend op basis van een periode van 10 jaren en een rentevoet van 5% per jaar. De belasting over de nog niet aangevangen belastingjaren kan elk jaar worden afgekocht. Hiertoe dient een schriftelijk verzoek te worden ingediend bij de ambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet, voorafgaand aan het eerste belastingjaar van de periode waarop de afkoop betrekking heeft. De afkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 januari van het eerste belastingjaar van de periode waarop de afkoop betrekking heeft, nog te verschijnen belastingbedragen berekend naar een rentevoet van 5% per jaar. Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak als bedoeld in lid 1 eindigt of wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwe genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslagineens opgelegd voor de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak, berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel. In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig lid 1 gecontinueerd. Het verzoek daartoe dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag ingevolge onderdeel a schriftelijk bij de ambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet te worden ingediend. Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak als bedoeld in lid 1 eindigt of wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht van een gedeelte van de onroerende zaak, wordt voor de verdeling van de resterende belastingschuld de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 4, voor de betreffende onroerende zaken opnieuw vastgesteld voor de nog niet verstreken belastingjaren. De hernieuwde vaststelling zoals bedoeld in de vorige volzin geschiedt door overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 4.4. Alsdan wordt aan de nieuwe genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht met ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag-ineens opgelegd voor de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel. In afwijking van het bepaalde in onderdeel a van dit artikellid, wordt op verzoek van de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig lid 1, op basis van de ingevolge onderdeel a van dit artikellid hernieuwd vastgestelde maatstaven van heffing, gecontinueerd. Het verzoek daartoe dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag ingevolge onderdeel a schriftelijk bij de ambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet te worden ingediend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel