Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.4

Artikel 5.4.10.

Uitzonderingen op de beginselplicht tot handhaven

Onderdeel van Beleid Vergunningen, Toezicht en Handhaving fysieke leefomgeving Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel 2024

Het bevoegd gezag heeft een beginselplicht om te handhaven. Echter, in specifieke gevallen kan worden afgezien van handhaving. Jurisprudentie geeft aan dat er kan worden afgezien van handhaving als er sprake is van kleine overtredingen waarbij handhaving niet proportioneel is en in gevallen wanneer er concreet zicht is op legalisatie. Legalisatiemogelijkheden Wanneer een overtreding wordt geconstateerd moet het bevoegde bestuursorgaan nagaan of de overtreding niet alsnog kan worden gelegaliseerd. Wanneer sprake is van ‘concreet zicht op legalisatie’ kan van handhavend optreden worden afgezien. De overtreder wordt er dan op gewezen dat er mogelijkheden bestaan tot legalisering en op welke wijze dit dient te gebeuren. Indien de overtreder hier geen gebruik van maakt, dan volgt de gekozen handhavingsstrategie. Geringe overtredingen In beginsel moet ook tegen geringe overtredingen opgetreden worden. Er zijn echter uitzonderingen. In de jurisprudentie zijn verschillende voorbeelden waarbij met recht kon worden afgezien van handhaving vanwege de geringe omvang en ernst van de overtreding. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat het algemeen belang en belangen van derden zich daartegen niet verzetten. Belangrijk hierbij is dat elke situatie op zichzelf staat en daarom in ieder individueel geval een belangenafweging wordt gemaakt. Hierna worden enkele voorbeelden genoemd waarin terecht van handhaving werd afgezien: Er is sprake van een klein verschil. In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 december 2017 ging het om een verschil van 1 centimeter.6Uitspraak: ECLI:NL:RVS:2017:3485, 20 december 2017, Rechtspraak.nl Het verschil is niet of nauwelijks met het blote oog waarneembaar. Dat was volgens de Afdeling aan de orde in een casus in de gemeente Noardeast-Fryslân. Daar bepaalde de Afdeling (r.o. 7.3) in haar uitspraak van 17 maart 2021: dat ‘over een lengte van ongeveer 4 meter schuttingspanelen zijn geplaatst die ongeveer 4 centimeter hoger zijn dan de 1 meter hoogte die maximaal is toegestaan, wat met het blote oog nauwelijks waarneembaar is’.7Uitspraak: ECLI:NL:RVS:2021:574, 17 maart 2021, Rechtspraak.nl Derden worden niet in hun belangen geschaad. In een uitspraak van 24 juli 2013 overweegt de Afdeling (r.o. 4.3) ‘Nu de overtreding slechts bestaat uit deze twee afwijkingen van de bouwvergunning, heeft het college zich in de gegeven omstandigheden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het treffen van handhavingsmaatregelen ten aanzien van de afwijkingen van de bouwvergunning in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. Hierbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat de afwijkingen van de bouwvergunning met het blote oog in het vrije veld nauwelijks waarneembaar zijn en dat voorts niet is gebleken dat de belangen van [wederpartij] of de belangen van derden door de afwijkingen van de bouwvergunning worden geschaad’.8 Uitspraak: ECLI:NL:RVS:2013:455, 24 juli 2013, Rechtspraak.nl Het ongedaan maken van de overtreding brengt buitenproportioneel hoge kosten met zich mee of zou onevenredig zijn jegens de overtreder. Van handhavend optreden mocht het college afzien omdat dit ertoe zou leiden dat ‘ofwel de gehele woning moet worden afgebroken, ofwel de gehele zijmuur van de woning met gemiddeld 15 centimeter moet worden verplaatst’.9Uitspraak: ECLI:NL:RVS:2014:3885, 29 oktober 2014, Rechtspraak.nl

Rechtspraak bij dit artikel