1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de
belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een
jaarlijkse belasting gedurende vijf jaren. Het verzoek genoemd in
de eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de
aanslag schriftelijk bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel
b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar te worden
ingediend.
2.
Het belastingjaar loopt van 1 februari tot en met 31 januari
daaropvolgend.
3.
De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal
verschuldigde, berekend op basis van een periode van vijf jaren en
een rentevoet van 6,25 %.
4.
De belasting over de nog niet aangevangen belastingjaren kan elk
jaar worden afgekocht. Hiertoe dient een schriftelijk verzoek te
worden ingediend, voorafgaand aan het eerste belastingjaar van de
periode waarop de afkoop betrekking heeft. De afkoopsom wordt
bepaald op de contante waarde van de bij aanvang van het eerste
belastingjaar waarop de afkoop betrekking heeft nog te verschijnen
belastingbedragen, berekend naar een rentevoet van 6,25 %.
5.
a.
Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse
heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak
als bedoeld in het eerste lid eindigt of wijzigt als gevolg van het
overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwe
genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag ineens
opgelegd voor de resterende belastingjaren van het
belastingtijdvak, berekend overeenkomstig het vierde lid van dit
artikel.
b.
In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van
de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse
heffing overeenkomstig het eerste lid gecontinueerd. Het verzoek
daartoe dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag
ingevolge onderdeel a, schriftelijk bij de in artikel 231, tweede
lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar te
worden ingediend.
6
Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse
heffing en in de loop van het belastingtijdvak de eigendom, het
bezit of het beperkt recht van een gedeelte van de onroerende zaak
wordt overgedragen, wordt, voor de verdeling van de resterende
belastingschuld, de maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 4
voor de betreffende onroerende zaken opnieuw vastgesteld voor de
nog niet aangevangen belastingjaren.
Artikel 6
Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van de baatbelasting revitalisering bedrijventerrein Heerenveen-Zuid