Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3: › Paragraaf 3.1

Artikel 19.

Vervoer bij jeugdhulp

Onderdeel van Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2024

1.. Vervoer bij jeugdhulp kan worden toegekend aan een jeugdige, die een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp (zorg in natura of persoonsgebonden budget voor behandeling, dagbesteding, kort verblijf of begeleiding). Vervoer bij jeugdhulp is vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard kunnen zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp 2.. De vraag om een voorziening vervoer bij jeugdhulp zal meestal tegelijk met een aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in het besluit. Het is echter ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben. 3.. De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag indien het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk. Vervoer dat is ingekocht bij zorgaanbieders is voorliggend. 4.. Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend. 5.. De volgende vormen van een maatwerkvoorziening vervoer jeugdwet worden onderscheiden: Begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder. Een vergoeding voor openbaar vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien er sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). Een vergoeding voor eigen vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). Aangepast vervoer (taxivervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder of het door het college gecontracteerde taxibedrijf. Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor gekozen wordt. 6.. In de volgende volgorde een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de volgende, daaronder beschreven optie in beeld. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) is pas mogelijk wanneer alle onderstaande opties naar het oordeel van het college niet mogelijk zijn. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk. De jeugdige heeft de draagkracht en vaardigheden om in afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie begeleid door ouder(s)/verzorger(s), het sociale netwerk, een vrijwilliger of een jeugdprofessional. De jeugdige gaat met zijn/haar brommer/scooter naar de jeugdhulplocatie. De jeugdige reist zelfstandig met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Er zijn drie redenen waarom openbaar vervoer geen optie is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur tussen woning en uitstaphalte of –station. De jeugdige reist onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Deze optie vervalt als de jeugdige niet in staat is om met begeleiding in het openbaar vervoer te reizen, openbaar vervoer ontbreekt, de reistijd meer dan 45 minuten enkele reis (de reistijd tussen woning en uitstaphalte of –station) of ouder(s)/verzorger(s) kunnen aantonen dat begeleiding van de jeugdige door henzelf of anderen onmogelijk is dat wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. De ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz). 7.. Voor de opties lid 6 d, e, f en g is een vergoeding mogelijk in de vorm van een kilometervergoeding van € 0,23 per kilometer of een vergoeding op basis van het tarief openbaar vervoer. Indien het college een kilometervergoeding toekent voor een auto, bekostigt het college de kilometervergoeding alleen voor die kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is.

Rechtspraak bij dit artikel