In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen die worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, worden betaald in zes gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later, met dien verstande dat, indien er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet minder dan zes maanden in het belastingjaar overblijven, de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden overblijven, met een minimum van één termijn.
In gevallen bedoeld in het eerste lid, geldt in afwijking in zoverre van het aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
In afwijking in zoverre van het eerste en het tweede lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 100 dan wel meer is dan € 2.500 dat de aanslagen moeten worden betaald uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.
Andere aanslagen dan die genoemd in het eerste en tweede lid, moeten worden betaald uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 9
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2012