1. De oppervlakte van een reclameobject wordt vastgesteld als volgt:
als de openbare aankondiging wordt gedaan op een zuil, bord, poster of soortgelijk aankondigingsvoorwerp, wordt de oppervlakte van de aankondiging bepaald op de oppervlakte van de zijde van het voorwerp waarop de aankondiging wordt gedaan. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte van het aankondigingsvoorwerp bepaald door de lengte, de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp omsluit;
als de openbare aankondiging wordt gedaan op een vlag, banier, (span)doek of soortgelijk voorwerp, wordt de oppervlakte van de aankondiging bepaald op de oppervlakte van één zijde van het voorwerp waarop de aankondiging wordt gedaan;
als het reclameobject bestaat uit het reclamevoorwerp zelf, wordt de oppervlakte van de aankondiging bepaald op de oppervlakte van het voorwerp. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte bepaald door de lengte, de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp aan 2 zijden omsluit;
als de openbare aankondiging wordt gedaan door middel van een combinatie van verschillende losse voorwerpen of een opschrift met losse letters of symbolen, wordt de oppervlakte van het reclameobject bepaald door de lengte, de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die de voorwerpen of het opschrift omsluit.
2. Als het reclameobject slechts voor een deel zichtbaar is vanaf de openbare weg wordt de oppervlakte van het reclameobject bepaald op het van de openbare weg zichtbare gedeelte van het reclameobject.
Artikel 8
Berekening van de reclamebelasting
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van een reclamebelasting 2012