Een inwoner die een eigen huis bewoont kan geen huurtoeslag krijgen. De gemeente kan toch woonkostentoeslag verstrekken als de woonkosten hoger zijn dan de basishuur die voor de woning van de inwoner geldt volgens de Wet op huurtoeslag. De basishuur is een drempelbedrag. Zijn de woonkosten lager dan het drempelbedrag, dan wordt er geen woonkostentoeslag verstrekt.
De gemeente verstrekt de woonkostentoeslag voor maximaal 12 maanden. De inwoner is in die periode verplicht om actief te zoeken naar goedkopere woonruimte waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. Per draagkrachtjaar wordt de wordt de woonkostentoeslag opnieuw berekend en rekening gehouden met tussentijdse indexeringen.
De toeslag kan steeds met maximaal 12 maanden worden verlengd wanneer de inwoner geen goedkopere woonruimte heeft gevonden en de gemeente vindt dat dit de inwoner niet te verwijten is.
De woonkostentoeslag is een maandelijks bedrag ‘om niet’ (als gift en hoeft dus niet terugbetaald te worden).
Het inkomen van de inwoner boven de bijstandsnorm telt volledig mee als draagkracht (financiële draagkracht is 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm
Bij de berekening van de woonkostentoeslag worden de volgende woonkosten meegeteld:
a. 70 % van de kosten van de hypotheekrente (hierbij hoeft dan geen rekening te worden gehouden met de teruggaaf van belasting),
b. de zakelijke lasten van de woning, zoals premie opstalverzekering en onroerende zaakbelasting.
Artikel 4.3.1.2
Woonkostentoeslag bij eigen woning
Onderdeel van Beleidsregel bijzondere bijstand 2024