Eerste huurlasten en inrichtingskosten van de woning zijn algemene kosten en moet de inwoner uit het inkomen betalen. De inwoner krijgt hiervoor in principe geen bijzondere bijstand.
De gemeente kan wel bijzondere bijstand verstrekken als de inwoner onvoldoende in staat is geweest om voor deze kosten te sparen en de verhuizing noodzakelijk is. Dit kan bijvoorbeeld bij inwoners die vanuit de opvang in een asielzoekerscentrum zich als statushouder vestigen in de gemeente.
De hoogte van de bijzondere bijstand voor de inrichting wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen uit de actuele prijzengids van het Nibud (inclusief verwijderingsbijdrage). Voor een totaal inventarispakket wordt de hoogte van de bijzondere bijstand bepaald door de prijsindicatie van belanghebbende zelf met een maximum van 50% (zowel voor alleenstaande (ouder) als voor gehuwden) van het laatste Nibud inventarispakket.
Ook kan een overbruggingsuitkering worden verstrekt voor de eerste (en soms nog de tweede) maand huur en administratiekosten betaald.
Uitgangspunt is dat de bijzondere bijstand de vorm van een geldlening heeft.
Artikel 4.3.3
Eerste huurlasten en inrichtingskosten
Onderdeel van Beleidsregel bijzondere bijstand 2024