Het college besluit per individuele fraudevordering van verdere invordering af te zien indien de belanghebbende voldoet aan het gestelde in artikel 58, lid 7, onderdeel a, b, c of d van de Participatiewet, dan wel artikel 25, lid 6, onderdeel a, b, c of d van zowel de IOAW als de IOAZ, en het uit doelmatigheidsoverwegingen in geval van de betreffende individuele fraudevordering wenselijk is af te zien van verdere invordering.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 7.
Afzien van verdere invordering bij fraude
Onderdeel van Beleidsregels Terug- en Invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Veendam 2024