1.
De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid,
van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm
voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in
wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.
2.
De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid,
van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm
[vanaf 1 januari 2012 ‘gezinsnorm’] voor de
alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning
één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben;
3.
Voor de toepassing van dit artikel worden de
volgende personen niet in aanmerking genomen als een
ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
heeft:.
1.
kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21
jaar met een inkomen tot maximaal 50% van de
gehuwdennorm [vanaf 1 januari 2012 ‘gezinsnorm’];
2.
meerderjarige kinderen met studiefinanciering op
grond van de Wet studiefinanciering 2000;
3.
meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op
grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten;
-
verzorgingsbehoevenden die door de belanghebbende
worden verzorgd.
HOOFDSTUK 2
Artikel 3
Toeslagen
Onderdeel van Toeslagen en verlagingenverordening Wet werk en bijstand 2007