Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 7.

Proefplaats

Onderdeel van Verordening Participatiewet 2024

1.. Het college kan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a van de wet, die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats als bedoeld in artikel 6, eerste lid onderdeel h van de wet, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2.. De duur van de proefplaatsing is twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden indien: in de persoon gelegen factoren een langere periode veroorzaken; de werkgever kan aantonen dat verlengen in dit specifieke geval noodzakelijk is. 3.. Voor een proefplaatsing wordt uitsluitend toestemming verleend als: de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; de persoon niet eerder bij de betreffende werkgever of zijn rechtsvoorganger(s) heeft gewerkt, stage heeft gelopen of onbeloonde werkzaamheden heeft verricht in dezelfde of vergelijkbare functie, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden die naar het oordeel van het college een proefplaatsing rechtvaardigen; de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4.. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als: Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake zou zijn van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid van de wet. 5.. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt de ziekteperiode voor de toepassing van de maximale periode dat de proefplaatsing mag duren buiten beschouwing gelaten. 6.. Voorafgaand aan de proefplaatsing worden in een schriftelijke overeenkomst tussen college en de werkgever minimaal vastgelegd: dat sprake is van een proefplaats in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel h van de wet; het doel van de proefplaatsing; de duur en de urenomvang per week van de proefplaatsing; de wijze van begeleiding; de intentieverklaring dat de werkgever de persoon, bij gebleken geschiktheid, na de proefplaatsing een dienstverband van minimaal 6 maanden aanbiedt voor minimaal het aantal uren dat voor de proefplaatsing is overeengekomen, tenzij tijdens de proefplaatsing blijkt dat het urenaantal in het belang van de persoon verlaagd moet worden dat de werkgever tijdens de proefplaatsing voor de persoon een ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering afsluit en de gemeente vrijwaart van alle in- en buitengerechtelijke aanspraken op vergoeding van eventuele schades; dat de werkzaamheden worden verricht conform de voor de betreffende functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel