Met de Omgevingswet wordt het wettelijk kader voor verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving vereenvoudigd. Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen enerzijds het bereiken en in stand houden van de fysieke leefomgeving van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en anderzijds het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van een goede omgevingskwaliteit om maatschappelijke behoeften mee te vervullen. Voor het bereiken van die balans op lokale schaal krijgen de verschillende overheden meer afwegingsruimte. Er zijn minder regels en er is meer ruimte voor initiatieven. De doelen van de wet zijn gesteld met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en het beschermen en verbeteren van het leefmilieu. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is vooralsnog op 1 juli 2022 gepland.
De Omgevingswet heeft voor de basistaken, op basis van de huidige juridische uitwerkingen van de Omgevingswet, met name de volgende impact:
Aanpassing van het basistakenpakket, waardoor toezicht op inrichtingen wijzigt in toezicht op milieubelastende activiteiten.
Een aantal van de huidige basistaken wordt onder de Omgevingswet een plustaak, zoals het toezicht op maneges, stadions en maatwerkvoorschriften op het gebied van geluid.
Het begrip ‘inrichting’ vervalt; milieubelastende activiteiten staan centraal in de wetgeving en dat vraagt om een meer specifieke (op activiteiten gerichte) registratie. Er komt een regulering per milieubelastende activiteit. Dit kan in de vorm van een zorgplicht, algemene regels of een vergunningplicht. De voorschriften die gelden voor milieubelastende activiteiten zijn bepaald per milieubelastende activiteit en neergelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, o.a. bouwen en geluid) de omgevingsverordening en/of het omgevingsplan. Door het wegvallen van het begrip inrichting is bij een milieubelastende activiteit niet meer van belang of de activiteit een bedrijfsmatige omvang heeft, wat de lengte van de activiteit is en of de activiteit op een vaste plek plaatsvindt, tenzij dit in de regelgeving anders is bepaald. Dit betekent bijvoorbeeld dat activiteiten die voorheen niet onder het begrip inrichting vielen, nu wel onder het begrip milieubelastende activiteit kunnen vallen. Voorbeelden hiervan zijn: lozingen van afvalwater in rioolstelsels en in de bodem, omgaan met afvalstoffen (storten, verbranden, nuttig toepassen), toepassing van warmte- en koudeopslag. Het betekent ook dat het toezicht zich meer kan toespitsen op activiteiten (in plaats van bedrijven). Het werken met activiteiten geeft een goede basis voor risicogericht toezicht.
Wijzigingen geluidwetgeving.
Schone Lucht Akkoord (SLA): dit is geen nationaal programma meer, maar moet lokaal meegewogen worden in beoordeling aanvraag vergunning activiteit.
Klimaatadaptatie (rekening houdend met uitkomsten Regionale Energiestrategie (RES) regio Utrecht en de Regionale Adaptatie Strategie (RAS).
Vergunningaanvragen voor milieubelastende activiteiten vallen in principe onder de reguliere procedure (8 weken). De uitgebreide procedure blijft bestaan voor bepaalde milieubelastende activiteiten. Ook kan een aanvrager zelf vragen om de uitgebreide procedure (26 weken).
De Omgevingswet maakt het heffen van milieuleges mogelijk.
Gedrags- en cultuurverandering: competenties als oplossingsgericht denken, helicopterview en samenwerken worden belangrijker.
Centralere plek voor algemene en specifieke zorgplichten, waardoor normen minder vaak vaststaan en situationeel werken belangrijker wordt, evenals eisen aan verslaglegging en rapportage.
Mogelijkheid voor financiële zekerheidsstelling bij afvalverwerkingsbedrijven.
Overdracht van bevoegdheid van bodemtaken van provincie naar gemeenten.
Daarnaast gaat de bevoegdheid van enkele inrichtingen met IPPCinstallaties van provincie naar gemeenten. IPPC-installaties zijn grote industriële bedrijven die vallen onder de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU).
Transparantie van informatievoorziening. Een groot deel van de digitale informatie is straks op één plek te vinden, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Via het DSO kunnen initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel zien wat mag in de fysieke leefomgeving. Het einddoel is dat inwoners, ondernemers over dezelfde informatie als de overheid kunnen beschikken.
Prioriteren en waarschuwen verdienen bijzondere aandacht aangezien met minder vergunningen, meer zorgplichten, meer algemene regels en ‘ja-mits’ aan de voorkant van het vergunningenproces wordt gewerkt.
Tot 2029 geldt een overgangssituatie met overgangsrecht, waaronder de bruidsschat, waarin steeds meer wet- en regelgeving verschuift van de rijksoverheid naar de omgevingsplannen van gemeenten. De bruidsschat is een set regels die gebruikt kunnen worden voor de invoering van de gedecentraliseerde wetgeving. De regels worden verdeeld over het gemeentelijke omgevingsplan en de waterschapsverordening.
Tot inwerkingtreding van de Omgevingswet staat een deel van bovenstaande implicaties nog landelijk ter discussie.
Hoofdstuk 1 › Paragraaf 1.5
Artikel 1.5.2
OMGEVINGSWET
Onderdeel van Uniforme uitvoering- en handhavingsstrategie 2022-2023