Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf

Artikel 4.3

Ontwikkeling dynamische risicoanalyse

Onderdeel van Regionaal uniform beleid voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving Milieutaken Omgevingsdienst IJsselland

We streven naar een dynamische risico-analyse. Hieronder schetsen we eerst de werkwijze van afgelopen jaren en daarna de gewenste situatie en de stappen om die te bereiken. De bestaande risicoanalyse De reguliere inzet van toezicht programmeren we op basis van de risico-analyse. Daarin zijn de risico’s per soort bedrijf ingeschat en op basis van dit risiconiveau is een ‘ambitieniveau’ gekozen, in de vorm van de gewenste controlefrequentie. Risicovolle bedrijven worden vaker gecontroleerd dan de minder risicovolle bedrijven. Dit vorm ook de grondslag voor de begroting. De aantallen controles en de normuren per soort controle en het uurtarief vormen de begroting ten aanzien van reguliere controles. Naar een dynamische risicoanalyse Om dit systeem te verfijnen en gebruik te maken van meer en actuele gegevens hebben de omgevingsdienten van Twente en IJsselland opdracht gezamenlijk te komen tot een dynamische risico-analyse. We willen de aanwezige capaciteit in IJsselland zo doelmatig en efficiënt mogelijk inzetten op de risico’s die onze veilige, gezonde en duurzame leefomgeving bedreigen. Daarom is het van belang de meeste aandacht te richten op de locaties (veelal ‘bedrijven’) met de grootste (milieu) risico’s. Om hier inzicht in te krijgen heeft de OD (in samenwerking met de Omgevingsdienst Twente) een dynamisch ‘risicoprioriteringsinstrument’ (RPI) ontwikkeld. Dit instrument is een hulpmiddel om de werkzaamheden risicogericht en informatie gestuurd te programmeren. Het instrument bepaalt het risico op basis van de formule ‘kans X effect’. Met deze formule worden de ‘milieubelastende activiteiten’ (MBA’s) gescoord. Hier wordt de factor ‘kans’ bepaald door ervaringen op het gebied van naleving. Aanvankelijk generiek voor de branche, maar door het individuele naleefgedrag van een bedrijf te volgen zal deze factor meer en meer specifiek voor een bepaald bedrijf worden. De factor ‘effect’ wordt bepaald door de gevolgen die optreden wanneer een incident optreedt. Effecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op gevaar (doden en gewonden), aantasting van de gezonde leefomgeving, financiële gevolgen. Daarbij zijn aan het instrument externe bronnen verbonden die relevant zijn voor de actuele risicosituatie. Voorbeelden van externe bronnen zijn Scios (keuring voor stookinstallaties) en KIWA (keuring van vloeistofdichte vloeren of tanks). Wanneer die bronnen daar aanleiding toe geven neemt het risico en daarmee de prioriteit toe. Het RPI leidt tot een prioriteitsvolgorde van de locaties die verbonden zijn aan MBA’s. Door een continue actualisatie (‘real time’) van de factoren (kans X effect) wordt steeds een actuele schikking van de locaties met de grootste risico’s gegenereerd. Op basis van ervaringen en (bestuurlijke) wensen kunnen effecten een zwaardere of lichtere weging krijgen dan wel toegevoegd of verwijderd worden. Ontwikkelstappen De OD voert het uitvoeringsprogramma uit en levert de afgesproken producten per deelnemer. Naarmate het RPI een betrouwbare prioritering kan geven, zal deze bepalen in welke volgorde we MBA’s controleren. In de rapportages worden de aantallen producten en het gemiddeld aantal uren per product verantwoord, maar ook het verband gelegd naar de outcome en doelen die we nastreven (hoofdstuk 5). Tevens wordt de PDC actueel gemaakt en verbonden aan de normuren per product. Immers, de outputsturing willen we onderhouden terwijl we de resultaat en outcomesturing ontwikkelen. Deelnemers en OD zullen samen bepalen wat de volgende stap richting outcomesturing kan zijn. Dit betreft spoor 5 van het Programma Samen Toekomstbestendig van de OD. Dit programma richt zich op de doorontwikkeling van de OD, zoals efficient werken, regionaal programmeren, risicogericht werken en informatiegestuurd werken.

Rechtspraak bij dit artikel