De belastingaanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste
dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
vermeld.
In afwijking van het eerste lid moeten voorlopige aanslagen worden
betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van
dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het
belastingtijdvak overblijven, met dien verstande dat het aantal
termijnen tenminste twee bedraagt. De eerste termijn vervalt één
maand na de dagtekening van het aanslagbiljet/de kennisgeving en elk
van de volgende termijnen telkens een maand later.
Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de
Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt
opgelegd met de vaststelling van de belastingaanslag.