**1..** in afwijking van artikel 3, lid 1, onder d, besluit het college af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering indien:
de belanghebbende gedurende 36 maanden volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 70% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of
de belanghebbende gedurende 36 maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met reeds gemaakte invorderingskosten, alsnog heeft betaald en ten minste 70% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of
gedurende 36 maanden door de belanghebbende geen betalingen zijn verricht en belanghebbende de daadwerkelijke invordering niet (meer) te traceren dan wel bij verblijf in het buitenland door buitenlandse instanties niet aan de benodigde invorderingsmaatregelen wordt meegewerkt en voorts niet valt te verwachten, dat hierin nog een wijziging komt.
**2..** De in lid 1, onder a, b en c, genoemde termijn van 36 maanden bedraagt 120 maanden, alsmede ten minste 50% van de hoofdsom van de vordering moet zijn voldaan, als de vordering is ontstaan doordat de inwoner verkeerde informatie heeft gegeven.
**3..** Indien de vordering een lening van duurzame gebruiksgoederen betreft bedraagt de aflossingstermijn 36 volledige maanden en ten minste 70% van de hoofdsom van de vordering moet zijn voldaan.
HOOFDSTUK 2. › Paragraaf 2.2
Artikel 10
Afzien van terugvordering of verdere terugvordering na het geruime tijd voldoen aan de betalingsverplichting
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2024