Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3: › Paragraaf 3.1

Artikel 16

Uitstel van betaling

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2024

1.. Het college verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van de belanghebbende duidelijk is, dat de belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan. 2.. Voor zover de belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld. 3.. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid verbindt het college bij een fraudevordering aan de verlening van (verder) uitstel de extra voorwaarde, dat de belanghebbende indien hij over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken, dit vermogen, voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm, aanwendt ter aflossing van deze openstaande schuld. 4.. Bij de vaststelling of de belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in lid 3 mogen de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering niet worden gesaldeerd en is het bepaalde in artikel 34, lid 2, onder a en d, Pw van overeenkomstige toepassing. 5.. Het uitstel wordt ingetrokken indien de nader overeengekomen aflossing niet wordt nagekomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel