Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1

Artikel 4.2

Algemene toegangscriteria

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Hendrik-Ido-Ambacht 2024

1.. Er bestaat aanspraak op een maatwerkvoorziening: voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie, en voor zover deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken is, en indien deze een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en voor zover de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit het sociale netwerk; door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; met gebruikmaking van algemene voorzieningen; 2.. Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening: Indien de cliënt geen ingezetene is; voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de cliënt toereikend en passend te zijn, of indien de voorliggende voorziening de kosten van de maatvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt; indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; indien de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt. indien de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan het opstellen, evalueren of nakomen van het ondersteuningsplan. indien sprake is van een verzoek voor een voorziening, die al eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij: de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of de eerder verstrekte voorziening in onvoldoende mate ondersteuning biedt. indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat: de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en lid 3 van de wet of artikel 2.7 van deze verordening of een huisgenoot niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.7 van deze verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel