Na aanschrijving van de gebruikers van onrechtmatig in gebruik genomen gronden zullen diverse gebruikers zich beroepen op verjaring. Door verjaring verliest de gemeente de eigendom van haar grond en verkrijgt de inwoner het eigendom. Verjaring kan worden gezien als sanctie op het niet beschermen van het eigendom door de eigenaar. Het verlies van eigendom is een zware sanctie. Daarom zijn de regels voor verjaring streng. Er zijn twee soorten verjaring: verkrijgende verjaring en bevrijdende verjaring.
5.4.1 Verkrijgende verjaring
Op grond van artikel 3:99 BW treedt verkrijgende verjaring op indien men de grond gedurende een periode van tien onafgebroken jaren te goeder trouw in bezit heeft gehad. Het begrip “te goeder trouw” betekent dat gebruiker niet wist en niet kon weten dat het goed niet van hem was. Hieraan wordt in de praktijk bijna nooit voldaan. Dat heeft te maken met de onderzoeksplicht. Het is namelijk voor eenieder mogelijk om het Kadaster te raadplegen en de kadastrale situatie te bekijken. Iemand die als eerste bewust het hekje een meter opschuift is sowieso niet ter goeder trouw. Iemand die een huis met tuin van iemand koopt kan het Kadaster raadplegen en ook dan ontbreekt de “goede trouw”.
5.4.2 Bevrijdende verjaring
Bevrijdende verjaring is geregeld in art. 3:105 BW en houdt in dat iemand die een goed bezit op het moment dat de rechtsvordering strekkende tot de beëindiging van het bezit wordt voltooid, het goed in eigendom verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Kort gezegd betekent dit dat een bezitter een strook grond in eigendom verkrijgt als hij meer dan twintig jaar (artikel 3:306 BW) de grond in bezit heeft. Hij hoeft daarvoor niet te goeder trouw te zijn. Ook iemand die weet dat hij of zijn voorganger onterecht een strook grond in bezit heeft genomen, kan grond verkrijgen door verjaring. Na de termijn van twintig jaar verjaart de rechtsvordering en kan de gemeente haar grond niet meer opeisen. Wel heeft de gemeente een mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen van de verkrijger.
5.4.3 Bezitsvereiste
Voor zowel verkrijgende als bevrijdende verjaring is bezit vereist. Iemand is bezitter als hij een goed voor zichzelf houdt. Hiervoor is vereist dat iemand feitelijke macht uitoefent over de grond met de wil de grond voor zichzelf te houden. Hiertoe moet de bezitter feiten en omstandigheden aantonen die ondubbelzinnig laten zien dat sprake is van een pretentie van eigendom. In de praktijk betekent dit dat de strook grond zodanig moet zijn ingericht, dat hieruit afgeleid kan worden dat de bezitter de strook voor zichzelf wilde houden. Dat kan het geval zijn als de bezitter de strook heeft afgesloten door middel van een hek of een haag, waardoor de strook grond niet meer toegankelijk is voor derden. De strook grond moet één geheel zijn gaan vormen met het eigen perceel van de bezitter.
Bezit wordt onderscheiden van houderschap. Bij houderschap houdt de houder het goed voor een ander. Een houder kan in beginsel geen verandering brengen in zijn houderschap. Iemand die eenmaal houder is, blijft houder. Een inwoner die een strook grond gebruikt volgens een overeenkomst, kan in elk geval aangemerkt worden als houder, omdat deze inwoner de grond ‘houdt’ voor de gemeente. Doordat er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de grond, kan de inwoner geen pretentie van eigendom hebben.
Degene die zich beroept op verjaring, zal aan moeten tonen dat er sprake is van bezit. Dat kan door bijvoorbeeld beeldmateriaal aan te leveren. Ook een getuigenverklaring kan als bewijs dienen, maar wordt in de regel als ondersteunend bewijsmateriaal gezien. Het aanleveren van alleen getuigenverklaringen is onvoldoende.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.4
Verjaring
Onderdeel van Uitgiftebeleid gemeentelijke groenstroken en restgronden