Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.3.1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van herziene Algemene Plaatselijke Verordening (25e wijziging)

Boom Een houtachtig, opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 25 centimeter op 1.3 meter hoogte boven het maaiveld. Indien het een houtopstand in publiek eigendom betreft, geldt in afwijking van het in de vorige zin bepaalde een dwarsdoorsnede van 10 centimeter op 1.3 meter hoogte. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. Houtopstand Eén of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen,mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen met de onder a genoemde minimale dwarsdoorsnede. Monumentale boom: Bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving. Hakhout: Eén of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. Vellen: Rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Rooien: Het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand. Kappen: Het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand. h. Dunning: Velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand. Kandelaberen: Het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen. Bebouwde kom: Gebied dat valt onder de regelgeving van de Boswet (vastgesteld overeenkomstig artikel 1, lid 5 van de Boswet).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel