Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Voldoen aan de parkeereis

Onderdeel van Nota parkeernormen 2024

Alternatieve private parkeeroplossing (stap 4a) De parkeereis kan worden opgelost op een privaat terrein of in een private parkeervoorziening buiten de grenzen van het bouwplan. Aangetoond moet worden dat deze parkeerplaatsen ten behoeve van het betreffende bouwplan kunnen worden aangewend. De externe parkeergelegenheid moet binnen acceptabele loopafstand van het plan (conform bijlage 6) zijn gelegen en de initiatiefnemer moet kunnen aantonen dat de parkeervoorziening langjarig beschikbaar is voor het plan door: een onderbouwing van het gebruik van de parkeerplaatsen aan te leveren en aan te tonen dat er voldoende restcapaciteit beschikbaar is (parkeerbezetting); een overeenkomst te overleggen met daarop het overeengekomen gebruik van het aantal plaatsen en de eventueel daarbij behorende voorwaarden. Deze overeenkomst moet zijn vastgelegd voor minimaal 10 jaar met een kettingbeding en boeteclausule voor eventuele rechtsopvolgers van de initiatiefnemer. Na afloop van de contractperiode moet in de parkeerbehoefte blijven worden voorzien. Een eventuele private parkeeroplossing op grotere afstand van het plan kan worden ingebracht als voorzien wordt in vervoer en het realistisch is dat deze oplossing gebruikt gaat worden (op basis van reistijd, parkeerregulering, parkeertarief e.d.), ter beoordeling aan de gemeente. Openbaar toegankelijke parkeervoorzieningen zoals parkeergarages/terreinen met een slagboom behoren ook tot deze oplossing. Benutten restcapaciteit/openbare ruimte (stap 4b) Als er in de omgeving van een plan buiten het centrum ruimte is om de desbetreffende parkeerbehoefte geheel of gedeeltelijk op te vangen, dan wordt de mogelijkheid geboden om daar gebruik van maken. Dit draagt bij aan efficiënt ruimtegebruik doordat voorkomen wordt dat er nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd terwijl daar al ruimte voor is. Het gaat hierbij enkel om restcapaciteit in de openbare ruimte (op straat of openbaar parkeerterrein en niet om openbaar toegankelijke parkeervoorzieningen, zoals (commerciële) parkeergarages of andere parkeerfaciliteiten achter een slagboom). Of er voldoende restcapaciteit in de omgeving is om de extra parkeerbehoefte te kunnen faciliteren, wordt bepaald door de aanwezige parkeerdruk. De bezetting mag inclusief de parkeereis op het maatgevende moment niet hoger worden dan 90% binnen de acceptabele loopafstand van het plan (conform bijlage 6). Als grens wordt 90% gehanteerd om het zoeken naar een parkeerplaats in de omgeving binnen de perken te houden. Daarbij moet gekeken worden naar de beschikbare restcapaciteit op verschillende momenten, waaronder in ieder geval het maatgevende moment van het plan en het piekmoment van de parkeerdruk in de omgeving. De inzet van openbare parkeercapaciteit is niet onbeperkt mogelijk. De ruimtelijke context van een plan en andere doeleinden voor de openbare ruimte kunnen, naast de bestaande parkeerdruk, van invloed zijn in hoeverre openbare capaciteit door een plan benut kan worden. Om te voorkomen dat een plan parkeren te veel afwentelt op de openbare ruimte, geldt het volgende: In het centrum is het uitgangspunt dat de parkeerbehoefte in de openbaar toegankelijke parkeergarages wordt opgevangen, uitgezonderd desgewenst het bewonersdeel van de woonfuncties. Het is in het centrum niet mogelijk om parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor nieuwe ontwikkelingen in te zetten. Buiten het centrum is het bij voldoende restcapaciteit mogelijk om 10 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor een plan in te zetten. Dit aantal kan opgehoogd worden met 20% van de parkeereis zolang de bezetting onder de 90% blijft (zowel op het maatgevende moment van het plan als op het piekmoment van de parkeerdruk in de omgeving) met een maximum van 25 parkeerplaatsen in totaal. Binnen het schilgebied kan het gehele bezoekersaandeel worden toebedeeld aan het openbare aanbod als daarvoor voldoende capaciteit (bezetting blijft onder de 90%) beschikbaar is met een maximum van 25 parkeerplaatsen. In de schil kan het bewonersdeel niet met deze stap worden opgelost in verband met de uitsluiting van (nieuw)bouwplannen voor een parkeervergunning van de gemeente. Het is uiteindelijk aan de gemeente Eindhoven om aan te geven of de door de initiatiefnemer benoemde parkeerplaatsen geschikt en beschikbaar zijn om (een deel van) de parkeereis te faciliteren. De gemeente heeft daarbij altijd het recht om het toekennen van bestaande overcapaciteit op openbare parkeerplaatsen als oplossing geheel of gedeeltelijk te weigeren. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de relatie met andere (voorziene) planontwikkelingen, de ontwikkeling van het autobezit en de wens voor ontharding. Bij toepassing van deze stap moet onafhankelijk parkeeronderzoek door een deskundig bureau/adviseur worden uitgevoerd. De eisen waaraan een dergelijk parkeeronderzoek moet voldoen zijn opgenomen in bijlage 6. Indien een plan er op basis van dit onderzoek voor kiest gebruik te maken van bestaande capaciteit in de openbare ruimte in de omgeving van de ontwikkeling, moet dat deel van de parkeereis worden afgekocht met een financiële bijdrage aan het mobiliteitsfonds (zie bijlage 5). Woningbouwcorporaties worden vrijgesteld van de afkoopsom in deze stap. Deelauto’s in de openbare ruimte Deelauto’s kunnen ook in de openbare aanbod worden geplaatst. Voor deelauto’s met een vaste plek geldt een maximum van (parkeerplaatsen voor) twee deelauto’s in de openbare ruimte per project. Deelauto’s in de openbare ruimte moeten door eenieder (met een deelautoabonnement) gebruikt kunnen worden. Een eventueel hoger aandeel deelauto’s in de openbare ruimte is mogelijk met zone-floating deelauto’s. Dit zijn deelauto’s die geen vaste parkeerplek hebben, maar altijd binnen een bepaalde zone geparkeerd moeten worden. Indien de ontwikkelaar hier gebruik van wenst te maken, dient de afspraak met de deelauto-aanbieder en de beoogde zone-vergunningsaanvraag toegelicht te worden in het mobiliteitsplan. Voor deelauto’s in het centrum is een afkoopbedrag van toepassing conform bijlage 5. Nieuwe parkeercapaciteit in de openbare ruimte Het faciliteren van nieuwe parkeerbehoefte als gevolg van een (bouw)plan is geen verant-woordelijkheid van de gemeente. De gemeente legt zelf ook geen nieuwe parkeercapaciteit aan. Wel kan sprake zijn van uitbreiding van het openbare parkeerareaal als gevolg van overdracht van de openbare ruimte rond nieuwbouw (inclusief parkeerplaatsen) aan de gemeente. Daarnaast kan de gemeente de aanleg van parkeerplaatsen in de openbare ruimte toestaan als betere invulling van het gebruik van bestaande openbare ruimte, bijvoorbeeld door parkeervakken aan te leggen ter vervanging van parkeren op de rijbaan. In deze gevallen gaat het niet om benutting van bestaande parkeercapaciteit maar om nieuwe openbare plaatsen die binnen de projectgrens door het plan tot stand wordt gebracht. De afkoopbedragen zijn hierop niet van toepassing aangezien de parkeervoorziening in het plan wordt gerealiseerd. Een randvoorwaarde is dat de gemeente bereid is de parkeerplaatsen in beheer te nemen. Binnen het schilgebied zijn de mogelijkheden voor nieuwe parkeerplaatsen beperkt tot het bezoekersaandeel, aangezien bewoners niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. De gemeente maakt de (integrale) afweging of deze oplossing wordt toegestaan. Parkeeroplossing op eigen terrein (stap 5) De parkeereis (inclusief parkeerplaatsen voor deelauto’s) kan ook geheel of gedeeltelijk op eigen terrein worden opgelost. Hiertoe worden de benodigde parkeerplaatsen binnen de eigendomsgrenzen van het plan aangelegd die ook duurzaam voor de functie beschikbaar moeten blijven. Dat betekent dat deze parkeerplaatsen niet voor een ander doel of externe doelgroepen mogen worden gebruikt, behalve als dit leidt tot een betere benutting van parkeerruimte zonder dat de hoofdfunctie hierdoor benadeeld wordt (bijv. bewonersparkeren bij kantoor buiten werktijden). Als er parkeerplaatsen aan de gemeente worden overgedragen, is geen sprake van parkeren op eigen terrein maar van nieuwe openbare capaciteit. Voor de bruikbaarheid van de parkeeroplossing is een aantal uitgangspunten m.b.t. afmeting en inrichting van toepassing zoals opgenomen in bijlage 6. Een plan mag niet meer parkeerplaatsen aanleggen dan de parkeereis. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als een plan ook kan voorzien in de (bestaande of geplande) parkeerbehoefte in de omgeving. Middels een mobiliteitsplan moet worden onderbouwd waar de extra capaciteit op gebaseerd is en ook daarvoor daadwerkelijk ingezet zal worden. Afkoop mobiliteitsfonds (stap 6) Als bestaande en/of nieuwe parkeercapaciteit geen gewenste en/of haalbare invulling van de parkeereis is, bestaat de mogelijkheid van afkoop van de parkeereis. Hierbij wordt de afkoopsom ingelegd in het mobiliteitsfonds waarmee stadsbrede mobiliteitsvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Dit fonds is bestemd voor (co)financiering van voorzieningen als openbare fietsenstallingen, mobiliteitshubs/P+R en OV. Behalve in het centrum is de afkoopmogelijkheid begrensd tot maximaal 10 parkeerplaatsen. Afkoop van een groot deel van de parkeereis kan namelijk leiden tot parkeeroverlast doordat de eindgebruikers geen beperking hebben om toch de auto in de omgeving te parkeren. Dit speelt niet in het centrum waar er op loopafstand geen uitwijkmogelijkheden zijn, maar wel in het restgebied en (in mindere mate) in de schilwijken. Aangezien nieuwe parkeergelegenheid in het centrum alleen mogelijk is voor de functie wonen, heeft een plan in het centrum voor het bezoekersdeel altijd te maken met een deel afkoop in deze stap. De afkoopoptie is bedoeld als sluitstuk van de invulling van de parkeereis voor het geval het niet lukt deze in de voorgaande stappen helemaal passend te maken. Bij toepassing van deze stap moet gemotiveerd worden dat er hierdoor geen parkeerproblemen ontstaan of te verwachten zijn door inzet van bepaalde mobiliteitsmaatregelen. Nulnorm in het centrum mogelijk In het centrum is afkoop van de (vrijwel) volledige parkeereis wel mogelijk met het oog op de doelstellingen voor een autoluw centrum en de verdichtingsopgave. In het centrum is het toevoegen van nieuwe parkeercapaciteit daarom niet gewenst of nodig. Gezien de nabijheid van de centrumvoorzieningen en het hoogwaardige mobiliteitsaanbod kan een plan ook aan de parkeereis voldoen zonder parkeerplaatsen binnen het plan te realiseren of in de omgeving te gebruiken. Dit is mogelijk omdat de eindgebruiker (bewoner) in het centrum geen (gratis) uitwijkmogelijkheid heeft om zijn of haar auto kosteloos in de omgeving te parkeren als gevolg van de aanwezige parkeerregulering (betaald parkeren) en het plan niet leidt tot parkeeroverlast aangezien er geen parkeervergunningen aan nieuwe plannen worden uitgegeven. Mobiliteitsplan Om ervoor te zorgen dat in ruimtelijke plannen wordt nagedacht over de extra mobiliteit die een plan met zich meebrengt en daarvoor in een adequate oplossing wordt voorzien, wordt gewerkt met een mobiliteitsplan. Hierin is uitgewerkt hoe parkeren, het stallen van fietsen en het aanbod van mobiliteitsdiensten wordt geregeld. Bij de omgevingsvergunningsaanvraag moeten in het plan de 10 aspecten uit bijlage 8 worden behandeld (voor zover van toepassing). Een mobiliteitsplan is verplicht voor alle plannen met een parkeereis van 20 parkeerplaatsen of meer in het centrum en binnen het schilgebied en voor elk plan binnen de gemeente waarin gebruik wordt gemaakt van de mobiliteitscorrectie met deelmobiliteit of innovatieve vervoerconcepten.

Rechtspraak bij dit artikel