Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Definities

Onderdeel van Mandaatbesluit RUD Utrecht - gemeente Utrecht

De in artikel 1 van de gemeenschappelijke regeling RUD Utrecht opgenomen definities zijn van toepassing op dit besluit. Daarnaast wordt in dit besluit verstaan onder: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht; dienstverleningsovereenkomst: de overeenkomst als bedoeld in artikel 19, tweede lid van de regeling; directeur: de directeur van de Regionale uitvoeringsdienst Utrecht, bedoeld in artikel 27 van de regeling; regeling: gemeenschappelijke regeling RUD Utrecht. Artikel 2 Mandaat en ondermandaat 1.. Het college verleent aan de directeur mandaat voor het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen zoals vastgelegd in de geldende dienstverleningsovereenkomst (DVO) welke nodig zijn ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst en aanvullende opdrachten die tussen de gemeente Utrecht en de RUD Utrecht gesloten zijn. De DVO wordt aangepast op basis van het uitvoeringsprogramma. (UVP). 2.. Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, behelst niet de bevoegdheid tot besluiten tot de intrekking van een vergunning overeenkomstig artikel 18.10 Omgevingswet. 3.. Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, behelst niet de bevoegdheid tot beslissen op bezwaarschriften, bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 4.. De directeur kan de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid, in ondermandaat opdragen aan personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Artikel 3 Voorschriften 1.. Bij de uitoefening van een mandaat wordt het daaromtrent gestelde bij of krachtens wettelijke regelingen, besluiten, verordeningen, circulaires, aanwijzingen, richtlijnen, beleidsregels van het Rijk en het college betrokken dan wel, indien dat in een van de genoemde regels is bepaald, in acht genomen, conform de algemene en specifieke instructies en financiële afspraken die gelden op grond van de regeling voor de uitoefening van de betreffende taak. 2.. Een ieder aan wie bij of krachtens dit besluit mandaat is verleend past de algemene dan wel specifieke instructies, bedoeld in artikel 10:6 Algemene wet bestuursrecht, van het college toe. 3.. Het college zorgt ervoor dat de directeur over de informatie beschikt die noodzakelijk is conform het eerste lid. De directeur zorgt ervoor dat de personen aan wie hij ondermandaat verleent eveneens kunnen beschikken over de informatie, bedoeld in de eerste volzin. 4.. Het college treedt bij voorgenomen nieuw beleid of beleidswijzigingen in overleg met de directeur over uitvoeringsaspecten indien dat beleid raakt aan de taken en bevoegdheden die de Regionale uitvoeringsdienst uitvoert. 5.. De directeur treedt in overleg met het college indien hij het noodzakelijk acht af te wijken van de kaders of beleid, bedoeld in het eerste lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel