Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit hoofdstuk en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor:
monumentale bomen;
waardevolle bomen;
bomen of houtopstanden in een beschermwaardige structuur;
bomen of houtopstanden behorende bij een gemeentelijk- en/of rijksmonument;
bomen of houtopstanden in een beschermwaardig gebied met een stamdiameter van 20 cm of meer, van de 1e of 2e grootte en minimaal 50% zichtbaar vanaf de openbare ruimte, of
houtopstanden buiten de bebouwde kom met een stamdiameter van 60 cm of meer, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken voor zover de nadelige gevolgen niet kunnen worden voorkomen;
die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.