Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf

Artikel 12a.

Vervoer naar jeugdhulp

Onderdeel van Nadere regels Sociaal Domein gemeente Woudenberg

1.. Op grond van de Jeugdwet kan het vervoer van een jeugdige van en naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden, een voorziening zijn, voor zover naar het oordeel van het college er een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat, zoals bij iedere vorm van jeugdhulp, er geen vervoersvoorziening hoeft te worden ingezet als er geen medische noodzaak is en de jeugdige en/of de ouders/verzorgers (hierna: ouders) samen met zijn of haar sociale netwerk in staat is om middels eigen kracht het vervoer te regelen. 2.. De Jeugdwet hanteert het uitgangspunt van eigen kracht. Vervoer is primair een taak van de ouders van de jeugdige, ook als dit meer van hen verlangt dan wat er in de regel van ouders verwacht mag worden (bovengebruikelijke hulp). Als dat niet mogelijk is bijv. door werk of als er sprake is van overbelasting, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Het feit dat ouders werken of zorgdragen voor andere kinderen wordt niet beschouwd als een beperking in de zelfredzaamheid. Als ouders er zelf niet in slagen de begeleiding/vervoer te leveren, kunnen zij daarvoor een beroep doen op bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of vrijwilligers. 3.. De gedachte is dat vervoer naar jeugdhulp alleen georganiseerd wordt daar waar ouders, netwerk en/of voorliggende voorzieningen dit aantoonbaar echt niet zelf kunnen realiseren en/of het vervoer buiten de gebruikelijke zorg valt. Hier is sprake van indien: de jeugdige aantoonbaar niet zelfstandig kan reizen (in dit verband geldt de regel dat een jeugdige vanaf 12 jaar verondersteld wordt zelfstandig te kunnen reizen. Wanneer een jeugdige ouder is dan 12 maar hij of zij naar mening van de ouders/verzorgers niet zelfstandig kan reizen, zullen zij dit aannemelijk moeten maken) en de alleenstaande ouder of beide ouders een aantoonbare handicap hebben waardoor het voor hen niet mogelijk is om hun kind te vervoeren of te begeleiden in het openbaar vervoer, of; de afstand en frequentie waarop de jeugdige naar een zorginstelling moet worden gebracht zo groot is, dat het uitzonderlijk te noemen is. Om te bepalen of dit het geval is wordt gebruik gemaakt van de volgende formule: Als de uitkomst van: (aantal weken) x (aantal keren er week) x (afstand enkele reis) x 0,25 = 250 of hoger is, komt de jeugdige in aanmerking voor (gedeeltelijke) een vervoersvoorziening. 4.. Bij de (gedeeltelijke) vergoeding van het vervoer is de voor het college goedkoopst mogelijke wijze van vervoer het uitgangspunt. Eerst wordt gekeken of ouders het vervoer zelf kunnen organiseren met een eigen vervoersmiddel. Indien dit het geval is geldt een vergoeding van € 0,23 per km op basis van de kortste route. Voor het vaststellen van de afstand maakt het college gebruik van de ANWB routeplanner. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de optie `kortste route' met de auto. Pas als dit aantoonbaar niet mogelijk is wordt gekeken naar de mogelijkheden die het openbaar vervoer biedt en pas in laatste instantie wordt gekeken naar de mogelijkheden van een voorziening voor aangepast vervoer. 5.. Vervoer is altijd een maatwerkvoorziening. Gekeken wordt op grond van deze beleidsregels voor welk deel ouders eigen kracht hebben en voor welk deel het college een maatwerkvoorziening zal treffen in de vorm van een (gedeeltelijke) vergoeding van het vervoer. Als vervoer op eigen gelegenheid niet mogelijk is, dan verstrekt het college- voor het deel waar de eigen kracht niet in kan voorzien- een maatwerkvoorziening voor aangepast vervoer. 6.. Indien ouders aangeven de jeugdige wel te kunnen vervoeren, maar de kosten ervan niet te kunnen dragen mag van ouders worden verwacht dat zij inzicht geven in de door hen geclaimde financiële situatie.

Rechtspraak bij dit artikel