Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf

Artikel 16.

Ondersteuning bij het wonen

Onderdeel van Nadere regels Sociaal Domein gemeente Woudenberg

1.. Het college kan een maatwerkvoorziening verlenen gericht op ondersteuning bij het wonen in de vorm van: woonvoorzieningen; hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen; woningaanpassingen; plaatsing van een losse (mantelzorg)unit indien extra leefruimte noodzakelijk is. 2.. Woonvoorzieningen worden slechts geboden indien deze zijn gericht op het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in verband met het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 3.. Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een woningaanpassing worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. 4.. Maatwerkvoorzieningen voor het zich verplaatsen in en om de woning worden slechts geboden indien deze zijn gericht de cliënt in staat te stellen de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken ten behoeve van het normale gebruik van de woning. 5.. Wanneer een eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen kan vervanging van maatwerkvoorziening noodzakelijk worden geacht. Dit is niet het geval wanneer de cliënt geheel of gedeeltelijk op andere wijze tegemoet wordt gekomen in de veroorzaakte kosten. 6.. Bij de aanvraag van een woningaanpassing of plaatsing van een losse woonunit wordt gekeken of verhuizing naar een passende woning mogelijk is of redelijkerwijs van de cliënt kan worden verwacht, en er anderszins goedkopere adequate oplossingen beschikbaar zijn. Hierbij wordt ook meegewogen of cliënten bij de keuze van hun woning of verbouwing rekening hebben gehouden met de te verwachten beperkingen die leeftijd gerelateerd zijn. 7.. De aanvraag kan in ieder geval worden geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woningaanpassing het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de cliënt, die een woningaanpassing aanvraagt, niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; de woningaanpassing door de eigenaar van de woning (zo ook de verhuurder), de VVE dan wel de bewoner zelf diende aangebracht te worden, zoals voorzieningen in de gemeenschappelijke ruimten waaronder automatische deuropeners, hellingbanen, extra trapleuningen, et cetera; de cliënt, die een woningaanpassing aanvraagt, verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; de noodzaak tot het treffen van een woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. 8.. In het geval een woning moet worden aangepast, beoordeelt de gemeente of de gebruikelijke levensduur van de voorziening reeds is verstreken. Voor een niet roerende woningaanpassing (bijvoorbeeld een badkamer of een traplift) wordt een afschrijvingstermijn van 15 jaar gehanteerd en voor vloerbedekking of stoffering 7 jaar. Het college hanteert de afschrijftermijnen (als bedoeld in het vorige lid onderdeel f) van Generali die bij de bepaling van de dagwaarde bij een inboedelverzekering worden gebruikt.

Rechtspraak bij dit artikel