De aanvrager kan aanspraak maken op ondersteuning op het gebied van maatschappelijke participatie in de vorm van een tegemoetkoming indien:
het besteedbaar inkomen van de aanvrager ten tijde van de aanvraag netto niet meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; en
de aanvrager geen studiefinanciering ontvangt op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; en
het vermogen niet meer bedraagt dan 50% van het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 plus éénmaal de van toepassing zijnde norm van de Participatiewet.
Bij het bepalen van het vermogen, als bedoeld onder c, wordt het vermogen uit de eigen woning, levensverzekering en uitkeringen in het kader van de toeslagenaffaire buiten beschouwing gelaten.