De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek,
inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen, geen
aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig
was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
door het college;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
een onverwacht optredende noodzaak;
de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is
naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
problemen met het normale gebruik van de woning zijn
ondervonden.
er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of
woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde
woning.
de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
toegankelijkheid van de woning wordt begrepen) worden
ondervonden.
Hoofdstuk 4.
Artikel 22.
Beperkingen.
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gemeente West Maas en Waal, versie 2.0